vrijdag 27 december 2013

Strafkamp Nederland

Schandalig, hoe gemeenten (o.a. DWI Amsterdam) en de landelijke overheid de `participatiemaatschappij´ en `tegenprestatie´ invullen.  De VVD pleitte enkele maanden geleden al voor onzintaken, zoals het schoonmaken van verkeersborden aan de rand van de gemeente. De maatregelen van de DWI zijn te gestoord voor woorden: peuken van ambtenaren rapen, schoenen van andere werkzoekenden poetsen, kleding sorteren en afval prikken; alles onder de constante dreiging met financiële sancties.  In geen geval dragen dergelijke taken bij aan het creëren van enig realistisch arbeidsperspectief. Het gaat hier om bewuste vernedering van werkzoekenden en arbeidsongeschikten.

Lees de Russische klassiekers eens, over de strafkampen in Siberië. Ik zie opvallende parallellen tussen de werkzaamheden in het strafkamp en de hedendaagse dwangarbeid in de`participatiemaatschappij´ (wat een eufemisme!).  

Kritiek 
Op 24 december 2013 is een kritisch artikel in de Volkskrant gepubliceerd. Aan het woord komen werkzoekenden die aan den lijve ondervinden hoe de afdeling re-integratie van de DWI, `de Herstelling´ geheten, te werk gaat.

Natuurlijk heb ik ook de tegenreactie gelezen op de website van de DWI Amsterdam. Wethouder Andreé van Es beweert dat er geen sprake is van een `tegenprestatie voor het ontvangen van bijstand´. Voorts merkt zij op dat het niet gaat om disciplinering of straf; om mevrouw van Es te citeren:
`..Ik kom graag bij de Herstelling, dan zie ik ook dat het confronterend kan zijn. En ik zie uiterst betrokken medewerkers. Gelukkig zie ik ook dat heel veel mensen blij zijn met de kans die hen hier wordt geboden. En ik zie dat er velen zijn die werk vinden na een re-integratietraject bij de Herstelling..´ 
`Re-integratietraject´, `geboden kansen´, `eisen van de arbeidsmarkt´. Prachtige woorden voor dit vuile beleid. Natuurlijk wordt de verantwoording voor het gemak weer eens afgeschoven op het niveau van de werkvloer.

De medewerkers van de DWI weerspreken niet dat de nutteloze werkzaamheden die in het artikel worden aangehaald, daadwerkelijk worden opgelegd aan de werkzoekende. Zij ontkennen wél dat deze eenzijdige werkzaamheden 32 uur per week worden uitgevoerd. Er wordt zowaar een doelstelling gegeven:
Het doel van deze re-integratietrajecten is het aan- of bijleren van de werknemersvaardigheden. Hierbij is het besef belangrijk dat een toekomstige baan vaak niet voor 100% bestaat uit de meest uitdagende werkzaamheden, maar dat het wel een opstap naar zo'n baan kan zijn.
Klanten met te weinig werknemersvaardigheden (degenen om wie het gaat in dit artikel) kunnen niet bij een werkgever terecht. Zij kiezen namelijk voor de beste en de meest gemotiveerde kandidaten voor een betaalde baan. Het is de taak van DWI om deze mensen te begeleiden naar de arbeidsmarkt.
Wederom worden werkzoekenden beledigd door deze uitlatingen. Een greep uit de werkzoekenden: er zijn onrendabele personen, maar ook ervaren werknemers die na jaren aan de kant zijn geschoven, ondernemers die hun bedrijf op een faillissement hebben zien afstevenen, jonge academici die na hun universitaire opleiding geen fulltime functie hebben kunnen bemachtigen. Zo ook onder de participanten van `de Herstelling´. Ga die mensen eens uitleggen dat ze onvoldoende gekwalificeerd zijn, maar zich kunnen bekwamen met het verwijderen van nietjes en het ruimen van peuken.

Sancties
Wat tot de verbeelding spreekt: een dame wil niet met de rest van de ploeg lunchen. Wellicht ervaart zij geen sociale binding met de mensen die zich in haar werkploeg bevinden.  De DWI dreigt haar uitkering te staken: ze wordt gechanteerd omdat ze zich `niet collegiaal´ toont. Het spreekt voor zich dat het weigeren van bepaalde werkzaamheden, direct wordt aangegrepen om financiële sancties toe te kunnen passen.

Over sanctiemaatregelen zegt de DWI het volgende:
Voor het opleggen van een strafkorting bestaan vaste protocollen. Het gebeurt nooit ineens. Het protocol schrijft voor dat er hoor en wederhoor is. De klant wordt gevraagd naar de reden van het belemmerende gedrag. Er volgt pas een waarschuwingsbrief als na deze inspanningen geen gedragsverandering is. Constateren wij na de brief nog steeds geen veranderd gedrag, dan volgt een financiële sanctie. Over deze regels zijn wij transparant naar de deelnemers toe.
Transparantie, gewaarborgd door protocollen. Nog zo´n schrale troost. Een sanctie wordt weliswaar niet onverwacht opgelegd, maar de participant is wel degelijk onderworpen aan de grillen van de ambtenaar van de DWI. De participant is in de praktijk chantabel: het enige middel van bestaan (een niet of nauwelijks toereikend middel, gezien de hoogte van de bijstand), een basale levensbehoefte, kan worden afgenomen op ter plaatse verzonnen gronden die de aanduiding `rechtsgeldig´ niet zouden mogen verdienen.

Van de medewerkers van de DWI komt nog een zinloze opmerking: tegen een eenmaal uitgevoerde sanctie kan de werkzoekende te allen tijde in beroep gaan. Er kan een beroep worden gedaan op de rechtsbijstand. Daarbij wordt buiten beschouwing gelaten dat de kosten voor rechtsbijstand niet of nauwelijks gedragen kunnen worden als de uitkering is stopgezet bij wijze van sanctie.

Ambtenaren verklaren dat decentralisatie hen dwingt om maatregelen te treffen en dat het nu eenmaal`moeilijk´ is om de participatiewet vorm te geven. Mijns inziens haalt een overschot aan macht het slechtste in de ambtenaren van de DWI Amsterdam (maar natuurlijk ook de Sociale Diensten van andere gemeenten) naar boven. Machtswellustelingen krijgen vrij spel.
Ik kan niet anders dan concluderen dat werkzoekenden in deze situatie als debielen worden behandeld en dat zij een trap na krijgen middels de reactie van de wethouder en medewerkers van de DWI.

woensdag 31 juli 2013

Armoede bestaat niet

Armoede in Nederland
Het bestaat, maar het mag geen erkenning krijgen in een zogenoemd ontwikkeld land als Nederland: armoede. Verwacht wordt dat de armoede in Nederland stijgt tot 9,4 procent van alle huishoudens.

In discussies is het vaste prik: armoede in eigen land wordt gerelativeerd door te vergelijken met armoede in ontwikkelingslanden.  Het relativeren van armoede, neemt het werkelijke probleem niet weg.  Om nog maar te zwijgen over dergelijke clichés: `Iedereen in Nederland kan over een inkomen beschikken´; `Niemand hoeft dakloos te zijn´.

Wanneer is men arm?
Verschillende niveaus en instanties hebben een eigen definitie van armoede. De Europese Commissie hanteert de volgende standaard:
 `Armen worden gedefinieerd als mensen, gezinnen of groepen wier middelen zo beperkt zijn dat zij uitgesloten zijn van de minimaal aanvaardbare leefpatronen in de lidstaat waarin zij leven.´
Het SCP bepaalt armoede mede aan de hand van de lage-inkomensgrens. Voor alleenstaanden geldt een grens van 960 Euro per maand.

De hoogte van een bijstandsuitkering (WWB) voor een alleenstaande,  is € 661,77 per maand, vanaf 1 juli 2013. Dit bedrag is inclusief vakantietoeslag van € 33,09. Een alleenstaande uitkeringsgerechtigde zit dus 298,23 onder de armoedegrens.

De inkomensgrens is niet de enige factor om armoede in de praktijk te bepalen. Een inkomen dient toereikend te zijn om in de basisbehoeften te voorzien (levensmiddelen) en de vaste lasten te kunnen betalen. In het geval van een gezin met kinderen, ontkomt men daarnaast niet aan de kosten voor educatie. In het benaderen van het begrip `armoede´, zijn luxe goederen zoals auto´s geen belangrijke behoeften.

Is het inkomen niet toereikend, dan ontstaat er een structureel tekort. Tegenover een structureel te laag inkomen, staat de koopkrachtvermindering door de recentelijk dramatisch gestegen huurprijzen, de zorgpremie en de kosten voor het eigen risico. Het is de realiteit dat huishoudens moeten bezuinigen op eenvoudige levensmiddelen.

Mensen die geen schulden zijn aangegaan, geen koopwoning met hypotheek en auto in bezit hebben, die geen luxe goederen aanschaffen, lopen het risico om puur door een structureel tekort (te laag inkomen uit werk of uitkering), schulden op te bouwen. Deze groep, die buiten de eigen schuld in de armoede is beland, kan niet geholpen worden door instanties als de Schuldhulpverlening, simpelweg omdat er geen posten zijn om op te bezuinigen. De verslechtering van de situatie kan slechts worden aangepakt door het inkomen te verhogen.

Cordaid
Ophef is ontstaan toen ontwikkelingsorganisatie Cordaid te kennen gaf projecten te willen starten om de armoede in Nederland aan te pakken. Een dergelijke aanpak zou het de overheid gemakkelijk maken om geen verantwoordelijkheid te nemen om armoede te bestrijden, is het commentaar.

Het was een goede manier om aandacht te vragen voor het fenomeen. Of een landelijke discussie nu werd beoogd of niet, het onderwerp stond direct op de publieke agenda. Uit de reacties, o.a. te vinden op de opiniepagina´s van de Volkskrant, blijkt dat men de overheid verantwoordelijk houdt voor het laten voortbestaan en verergeren van binnenlandse armoede.

Regelmatig is er de roep om in opstand te komen tegen het huidige overheidsbeleid. Echter, tot nog toe is er een gebrek aan georganiseerd verzet tegen dit maatschappelijke probleem. Organisaties en partijen weten het probleem aan te kaarten noch oplossingen te bieden.

(Bewust) falend overheidsbeleid
`Plan Cordaid is onzinnig: de echte oorzaak van armoede is falend overheidsbeleid´, schrijft universitair docent René Gabriëls. Dit is geen nieuw inzicht. De overheid neemt bewust een passieve positie in ten opzichte van armoede.  Gezien het karakter van onze huidige coalitie, is het ondenkbaar dat er `toegegeven´ wordt aan het actief bestrijden van armoede in de samenleving. Het heeft geen prioriteit voor een regering die zich dermate arrogant opstelt, dat maatschappelijke problemen met een lach aan de kant worden geschoven. Vooralsnog is er sprake van een algehele verslechtering.

zaterdag 6 juli 2013

De studie waard? Waarom het leenstelsel op foute aannames is gebaseerd

Allereerst dient te worden opgemerkt dat de studieschuld van toepassing is wanneer het diploma niet is behaald. In het huidige systeem is het namelijk zo dat de studiebeurs, het studievoorschot c.q. de voorlopige lening wordt omgezet in een gift, mits de studie met goed gevolg is afgelegd. Een studieschuld drukt wanneer de student niet naar behoren presteert, daarom hanteren wij de afgeleide term `prestatiebeurs´.

Een "sociaal" leenstelsel: een illusie

Tijdens het langdurige zomerreces is het niet langer een onderwerp van discussie: de afschaffing van de basisbeurs en invoering van het leenstelsel. De nieuwe (bachelor)studenten van 2013-2014 hebben nog geen last van de invoering van het leenstelsel: een jaar uitstel zorgt voor een zekere berusting. Desalniettemin is het de vraag hoe nadelig het leenstelsel uit zal pakken voor toekomstige studenten.

Onderzoek: De studie waard
Het SCP heeft een onderzoek gehouden onder scholieren en studenten.  Het onderzoeksrapport, `De studie waard´, een 105 pagina´s tellend document, schetst op hypothetische wijze de `mogelijke gedragsreacties bij het invoeren van het sociaal leenstelsel in het hoger onderwijs´.

Tweede Kamerlid Pieter Duisenberg (VVD) trekt zijn conclusies naar aanleiding van dit rapport. Volgens hem is bewezen dat het leenstelsel studenten niet afschrikt. Om de heer Duisenberg te citeren:
``Dat de toegankelijkheid van het Hoger Onderwijs met de invoering van het leenstelsel in het geding zou zijn, is een veelgehoord argument van de oppositie. ,,Ik ben blij dat dit onderzoek - dat door de Kamer was gevraagd - een einde maakt aan deze fabel.....daarnaast toont het onderzoek aan dat jongeren uit gezinnen met lagere inkomens geen angst hebben om te lenen en gewoon zullen gaan studeren.´´
Het lijkt mij logisch dat jongeren hun talenten willen benutten. De wil hebben om te studeren, is echter niet hetzelfde als de bereidheid om schulden te maken. Het is bovendien de vraag, of het wenselijk is dat jongeren uit gezinnen met lage inkomens geen leenangst kennen. Verwacht wordt dat de studieschuld € 24.000 bedraagt, met uitzonderingen boven en onder het gemiddelde.

De heer Duisenberg is in zijn bronnen selectief. De volgende uitspraak is afkomstig van het Centraal Planbureau:
Gevolgen leenstelsel
Uit dit stuk blijkt dat het zeker geen fabel is dat studenten het leenstelsel als een belemmering zien voor het volgen van een studie. Het gaat om een relatief `kleine´ groep, die weliswaar aantoont dat gerede twijfel bestaat- dat kan niet simpelweg afgedaan worden als een fabeltje.

Over doorstuderen na het mbo, zegt de heer Duisenberg het volgende:
 ``Eén op de vijf MBO’ers geeft te kennen dat zij twijfelen over doorstuderen aan het hoger onderwijs na een afgeronde MBO-opleiding. Zij geven aan de kosten van het extra HBO-diploma mogelijk te hoog te vinden. Duisenberg: ,,Deze afweging speelde ook al voordat er sprake was van het wegvallen van de basisbeurs. Het betekent dat MBO’ers een bewuste afweging maken; zij hebben een goed diploma op zak en kunnen met een goede startpositie besluiten om als vakmensen aan de slag te gaan. Dat is toch een heel andere afweging dan wanneer je net van het voortgezet onderwijs komt’’.
Hier wordt de leenangst van mbo´ers verdraaid tot het maken van een bewuste afweging om direct aan het werk te gaan.  In dit citaat klinkt juist door dat één op de vijf mbo´ers wel degelijk wil doorstuderen, maar vanwege financiële bezwaren voor het alternatief- het zoeken van werk- gaat.

Voorbarige conclusies
Ik maak zelf deel uit van de onderzoekspopulatie. Met regelmaat ontvang ik de niet bepaald onopvallende uitnodiging om de antwoorden van de `Onderzoeksmonitor´ (een enquête voor studenten) aan te vinken. Daarbij is weinig ruimte voor persoonlijke aanvullingen. Hoe een bepaald antwoord wordt uitgelegd, is geheel afhankelijk van de vrije interpretatie. Doet een dergelijk onderzoek wel recht aan de achtergronden/ motieven van de student?

Nog één opmerking van onderzoekstechnische aard: het eindrapport is gepubliceerd, nog voordat het volledige onderzoek is afgerond. Eerder deze week ontving ik het laatste deel van de Onderzoeksmonitor. Hier ziet u de vragen die duidelijk moeten maken of studenten wel of niet bereid zijn tot het aangaan van een lening:

Onderzoeksmonitor: wel of niet bereid tot lenen?

Opvallend dat zowel het SCP en de VVD zo stellig (voorbarig) zijn in hun conclusies over een niet-voltooid onderzoek.

Geen leenangst is juist nadelig
`Jongeren zijn de snelst stijgende schuldengroep in Nederland´. Dat concludeerde EenVandaag in een reportage van 23 mei 2013.
Uit onderzoek blijkt dat een aanzienlijk aandeel van jongeren onder de 20 jaar al in financiële moeilijkheden verkeert en veelal niet in staat is om de opleiding te bekostigen. De mogelijkheid om bij te lenen naast de studiefinanciering, vergemakkelijkt het opbouwen van een schuld.

In de reportage wordt geschetst dat een lening niet slechts wordt gebruikt voor het primaire doel, namelijk het voorzien in de (bijkomstige) studiekosten. De bereidheid tot het aangaan van schulden, berust op een positief beeld van de eigen toekomstige financiële positie. Toekomstig werk is echter niet gegarandeerd. Overschatting van de financiële toekomst en een laagdrempelige lening, vormen een riskante combinatie.
  
Laagdrempelig lenen
Dat studenten van alle niveaus en opleidingen op laagdrempelige wijze schulden aan kunnen gaan bij de overheid, behoeft zeker kritiek. Log in bij DUO en via de wizard kan al snel een lening worden afgesloten. Enkele klikken leiden naar de simpele optie: `studiefinanciering + reisproduct + lening´, tot `maximaal bijlenen´. Het is een gemakkelijke, vrijwel volledig geautomatiseerde handeling, die de niet al te alerte student onherroepelijk met een maandelijks groeiende schuld opscheept. Daarnaast wordt de studiefinanciering in het huidige stelsel ook in een schuld omgezet, als de student niet binnen tien jaar de studie haalt.

In het krijt bij de overheid
Lees voor uitgebreide informatie het rapport `In het krijt bij de overheid´.  Het is afkomstig van de Nationale Ombudsman en gaat over de overheid als schuldeiser. Burgers ervaren financiële problemen door de wijze waarop diverse overheidsorganen schulden innen. Voor voormalig studenten geldt de DUO als belangrijkste schuldeiser. Het is bekend dat een studieschuld nadelig is voor de starter op de woningmarkt.

Mijn visie is dat een leenstelsel de schuldenlast verder in de hand werkt. De heer Duisenberg gaat in zijn theorie uit van een immer rationele student: de lening is een investering in de toekomst. Zo werkt het in de praktijk niet. Een lening wordt door een meerderheid van de studenten namelijk niet benut om puur te investeren in de studie. Dat blijkt wel uit onderzoek. Niet iedere student is in staat om een rationele afweging te maken. De overheid heeft wel degelijk verantwoording, alleen al door schulden te stimuleren. Wat mij betreft worden er grenzen gesteld aan het gemak waarmee een studielening wordt afgesloten.




dinsdag 28 mei 2013

Passend onderwijs voor hoogbegaafde kinderen

Slimme kinderen worden onvoldoende gestimuleerd
Op het weblog van de VVD is op 11 april 2013 een bericht geplaatst over de positie van hoogbegaafde kinderen in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Het voorstel is om passend onderwijs in Nederland in te voeren; een eventuele beslissing dient voor 1 oktober 2013 genomen te worden.

Ik kan beamen dat het vroegere en huidige onderwijssysteem, gericht op de gemiddelde leerling, weinig stimulerend is voor leerlingen die afwijken van de `norm´ (dat geldt zowel voor minder intelligente als bovengemiddeld intelligente leerlingen). Op 24 maart 2013 heb ik daarover een persoonlijk bericht geschreven. Leerlingen die niet of nauwelijks worden geprikkeld, gaan op termijn ondermaats presteren. De paradox is dat leerlingen vaak het tegenovergestelde van het eigen niveau bereiken en sterkere desinteresse vertonen.

Metacognitie
Een interessant onderzoek naar de metacognitieve vaardigheden van hoogbegaafde personen, vond ik op de website van de Universiteit Leiden. De omschrijving vat samen wat bij voorkeur gestimuleerd dient te worden bij intelligentere leerlingen: vaardigheden omtrent het plannen, het aanbrengen van structuren en het leggen van verbanden. Dit is van belang om samen te werken, te reflecteren, overzicht te houden en het geleerde in praktijk te brengen. Praktische intelligentie, ofwel probleemoplossend denken, leidt over het algemeen tot successen.

Hoger intelligente leerlingen zouden de metacognitieve vaardigheden nauwelijks benutten, vanwege het relatieve gemak waarmee de lesstof wordt opgenomen. De studiehouding wordt wel getypeerd als `laks´. Dit is geen bewuste studiehouding. In het kader van de metacognitie is het zeker van belang om intelligente leerlingen op niveau te blijven stimuleren.

Minervaklas
Tijdens het lezen van andere blogs, stuitte ik op een bericht van oud-docent en onderwijsjournalist Ronald Buitelaar. In `Minervaklas voor leerlingen die uitgedaagd willen worden´, wordt kort geschetst hoe meer intelligente kinderen het bestaan van een dergelijke klas ervaren. Het lijkt mij een positieve ontwikkeling dat basisscholen bereid zijn om een breder pakket aan te bieden.

Cynische opmerkingen heb ik in mijn jeugd genoeg gehoord- veelal van de ouders van andere leerlingen. Een klas, speciaal bedoeld voor bovengemiddeld intelligente kinderen, zou zorgen voor een `uitzonderingspositie´; sociale contacten met minder intelligente leeftijdsgenoten zouden belangrijker zijn dan het stimuleren van de cognitieve behoeften van het kind. Ook het gelijkheidsdenken was van invloed: slimmere kinderen moesten maar `gewoon meedoen met de rest´. Om nog maar te zwijgen over gemakkelijke opmerkingen als `een slimme leerling redt zich toch wel, begeleiding is niet nodig´. Dat een intelligent kind de reguliere lessen als geestdodend ervaart, is niet meer dan een luxeprobleem.

Uit de situatieschets van de Minervaklas maak ik op dat een uitzonderingspositie bewust vermeden wordt: de leerlingen krijgen een aantal uren per week voorbereidende lessen in de Minervaklas. Het werk wordt vervolgens uitgevoerd in de reguliere klas. Sociale contacten worden niet verwaarloosd: als een pluspunt wordt aangevoerd dat de Minervaklas het mogelijk maakt om aansluiting te vinden bij leerlingen van het eigen niveau (van communiceren). Met gemiddeld twintig leerlingen is de opkomst in de Minervaklas zeker niet te gering voor het stimuleren van sociaal contact.

Leerlingen worden niet lukraak uit de klas geplukt: er is een selectie nodig om deel uit te kunnen maken van de Minervaklas.


donderdag 23 mei 2013

Studieschuld

Jammer van die voorbeelden
`Jongeren zijn de snelst stijgende schuldengroep´, blijkt uit een reportage van EenVandaag, donderdag 23 mei 2013. Met ergernis heb ik de uitzending bekeken. Zijn de genoemde voorbeelden uit de uitzending representatief voor de totale groep studenten? Ik zie een volwassen vrouw die tijdens haar opleiding haar lening heeft gebruikt om zich luxegoederen te kunnen `veroorloven´- een relatief begrip als de lening na enkele jaren tot een last is verworden. Nog altijd heeft ze haar uitgavenpatroon niet in de hand, want een auto die ze niet kan betalen heeft prioriteit, waar afspraken met de deurwaarder (over aflossing van de schuld) worden genegeerd en de post ongeopend blijft. Ik erger me vooral aan de passieve manier waarop het onderwerp benaderd wordt (`je bent jong en je wilt wat´).

Er wordt aangenomen dat het overgrote deel van de studenten op dezelfde wijze handelt als het voorbeeld in de uitzending. Dat het vanzelfsprekend is dat studenten hun studieschuld verhogen om vakantie te kunnen vieren, dure abonnementen voor de smartphone af te sluiten, aldus `van het studentenleven te kunnen genieten, want die ervaring kunnen ze je nooit meer afnemen´; ik heb het eerder gehoord in dergelijke reportages.  Jammer dat er niet vaker voorbeelden worden gebruikt die representatief zijn voor een ander gedeelte van de groep studenten. Er zijn namelijk ook studenten die zich wel degelijk bewust zijn van de gevolgen van het aangaan van grote schulden.

Studiegerelateerde schulden en het sociaal leenstelsel
Wat mij betreft is er een belangrijker punt van discussie en dat is in de uitzending niet besproken: schulden die puur en alleen studiegerelateerd zijn. Er kunnen tal van oorzaken zijn, van het maken van een verkeerde studiekeuze, een slechte stage, een negatief BSA, tot persoonlijke omstandigheden. Als het `sociaal´ leenstelsel per 2014 ingevoerd wordt, dan is de opbouw van een schuld voor alle studenten een feit.

Bereken de studieschuld
Op de website van DUO is een module te vinden die berekent hoe duur de prestatiebeurs en een lening op termijn zijn voor de student. De rente is variabel. Helaas kan er geen exacte berekening worden gemaakt, maar de module schetst wel een beeld van de kosten die de student kan verwachten.
Ik neem het simpelste voorbeeld: een student die geen lening aangaat, uitwonend is en geen bijdrage van de ouders kan verwachten. De aanvullende beurs is in dit voorbeeld maximaal. De studie in het hoger onderwijs duurt vier jaar, dus het studentenreisproduct en de beurs worden voor de duur van vier jaar gebruikt. Het diploma wordt niet behaald. De uitkomst: zonder lening en zonder uitgaven buiten de studie, bedraagt de schuld maar liefst € 29011.

Figuur 1: berekenen studieschuld

Lees meer over aflossen, problemen en uitzonderingen op de website van DUO: aflossen studieschuld.






maandag 20 mei 2013

Huiszoekingen uitkeringsgerechtigden

Deel 3: Het Huisbezoek

Het onaangekondigde huisbezoek, eerder besproken in de berichten Huiszoekingen Uitkeringsgerechtigden en Privacy in het gedrang, deel 2, is gebonden aan de richtlijnen van het protocol SoZaWe.
In het rapport van de Nationale Ombudsman, Baas in eigen Huis, zijn enkele van deze richtlijnen opgenomen.

Een kort overzicht van de richtlijnen voor het uitvoeren van huiszoekingen bij uitkeringsgerechtigden. Aan deze richtlijnen kunnen geen rechten worden ontleend, echter is het nuttig om een inzicht te krijgen in de opzet en gronden van de huiszoeking.

Stap 1: Onderzoek vóór het binnentreden van de woning
  • Voorafgaand aan de inspectie in de woning, dient de ambtenaar die de controle uitvoert, de vraag helder te krijgen of er gerede twijfel bestaat over de informatie die verstrekt is door de betrokkene (de uitkeringsgerechtigde die aan onderzoek onderworpen wordt);
  • Geeft de waarneming van de inspecteur aanleiding om te twijfelen aan de informatie die is verstrekt door de onderzochte persoon? Dan volgt eerst een gesprek om de onderzochte de gelegenheid te bieden de verstrekte informatie toe te lichten;
  • Wanneer de gerede twijfel ook na het gesprek blijft bestaan, dient de inspecteur te beoordelen of de verstrekte informatie daadwerkelijk van belang is voor het (blijven) verschaffen van het recht (d.w.z. de uitkering) aan de betrokkene. Hieruit volgt dat onderzoek toegepast dient te worden om relevante informatie te vergaren;
  • Is er een minder ingrijpende methode om de door de betrokkene verstrekte informatie op betrouwbaarheid te toetsen? Dan gaat de minst ingrijpende methode vóór het doorzoeken van de woning.
Conclusie eerste stap uit het onderzoek: zonder gerede twijfel bestaat er geen grond om een dergelijk ingrijpend middel als de huiszoeking toe te passen. De schending van de privacy en het huisrecht van de betrokkene staat niet in verhouding tot het doel van de huiszoeking. Immers, geen gerede twijfel betekent dat er ook geen (rechtmatige) aanleiding is voor het doorzoeken van een woning.

Stap 2: Onderzoek buiten en in de woning
  • De inspectie wordt veelal verricht door twee ambtenaren. Een ambtenaar voert het gesprek, terwijl de ander waarneemt. Direct op het moment van leggen van het eerste contact (op- of aanbellen), neemt een tweede inspecteur de woning van een afstand waar;
  • Niet alleen wordt er in de woning gecontroleerd; ook de voor- en achtertuin en de ramen van het huis worden waargenomen;
  • De ambtenaren/ inspecteurs dienen zich te allen tijde te identificeren en de huiszoeking toe te lichten, voorafgaand aan het betreden van de woning;
  • Ambtenaren mogen zich geen toegang tot de woning verschaffen vóór de betrokkene daartoe toestemming heeft verleend;
  • De betrokkene leidt de ambtenaar tot de ruimten in de woning;
  • In de woning dient de betrokkene zelf de toegang te verschaffen tot ruimten, kasten en laden. Bij voorkeur wordt eerst geïnformeerd wat zich in de ruimten en/ of kasten bevindt;
  • Voorwerpen en producten die gecontroleerd kunnen worden, zijn kledingstukken, voedingswaren en toiletartikelen. Er wordt beoordeeld of kledingstukken, toiletartikelen en voedingswaren specifiek voor man of vrouw zijn bestemd;
  • De inspecteur presenteert waarnemingen en feiten in een rapport. Om het rapport zo objectief mogelijk op te stellen, dient de inspecteur géén eigen interpretaties (oordeel over waarnemingen) te noteren.
Stap 3: Voltooiing van het onderzoek
Het rapport met de feiten en waarnemingen wordt zo spoedig mogelijk na de huiszoeking opgetekend en teruggekoppeld aan de betrokkene. De betrokkene dient het rapport ter goedkeuring te ondertekenen. Feiten worden opgenomen in een beschikking.

Administratie en belastinggegevens
Voor de volledigheid van het onderzoek volstaat men doorgaans niet slechts met een huiszoeking. Een completer beeld krijgt SoZaWe door belastinggegevens en overige administratie te controleren en te verifiëren. Lees hierover meer in het volgende bericht: Het koppelen van databases.

Waarom is de eerste stap in het onderzoek van belang? 

Proportionaliteit en subsidiariteit zijn belangrijke beginselen in het recht. Deze beginselen bepalen de verhouding van toegepaste methoden en middelen tot het ten opzichte van het doel waarvoor zij worden ingezet. De aanleiding voor het instellen van een onderzoek dient het onderzoek te rechtvaardigen. De eerste stap in het onderzoek (verificatie eerder verkregen informatie) bepaalt de grond voor het al dan niet betreden en doorzoeken van de woning.

Bij het totaalonderzoek worden (privacygevoelige) gegevens van de betrokkene geraadpleegd en verwerkt. Op het verwerken van persoonsgegevens is de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) van toepassing.
Ik citeer een uitspraak van de Hoge Raad, aangaande de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit:

Bij elke gegevensverwerking moet zijn voldaan aan beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Inbreuk op belangen betrokkene mag niet onevenredig zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel, en dit doel moet in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige, wijze kunnen worden verwerkelijkt. Aanwezigheid wettelijke rechtvaardigingsgrond maakt belangenafweging aan de hand van vermelde beginselen niet overbodig. Bij deze afweging moeten omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Van verwerker mag slechts belangenafweging verlangd worden aan de hand van de beschikbare gegevens.
Bron:  LJN: BQ8097, Hoge Raad , 10/03988

Het is goed om te weten wat de aard van het totale onderzoek is.  Langdurige, herhaalde observaties, al dan niet met behulp van middelen (apparatuur), zijn van een ander karakter dan een `waarneming ter plaatse´ door een inspecteur. Dergelijke stelselmatige observaties (observaties van een langduriger karakter) mogen slechts op bevel van de officier van justitie worden uitgevoerd. De stelselmatige observatie is terug te vinden in het WvS.


maandag 29 april 2013

Aanval op schooluitval - volgsystemen

Volgsysteem
In een eerder bericht, Aanval op schooluitval, schreef ik over de kanttekeningen die ik bij een systeem van sancties plaats.

Een kort bericht over volgsystemen (bijvoorbeeld het Digitaal Verzuimloket, DUO). Om verzuim te melden, worden diverse volgsystemen gehanteerd. Zodra de wettelijke norm van het aantal uren ongeoorloofd verzuim (16 klokuren in 4 weken)  is overschreden, krijgt de student een automatisch gegenereerd bericht via het platform van de opleiding. Zoals gebruikelijk bij automatische berichtgeving, is de afzender `noreply´. 

De studiebegeleider is het eerste aanspreekpunt. Desgewenst is de leerplichtambtenaar uit de gemeente van de (hoofd)vestiging van de opleiding, de persoon die de meldingen ontvangt.

Ongeoorloofde afwezigheid tijdens vakantie
Dat meldingen volledig geautomatiseerd zijn, maakt het lastig om in te grijpen als er onterechte meldingen worden gemaakt. Bij een onterechte melding of enkele onterechte meldingen van verzuim, zal de studiebegeleider steeds aangesproken moeten worden. Het is aan de studiebegeleider om vervolgens de meldingen te interpreteren.

Onterechte meldingen kunnen worden doorgegeven als de student zich ziek heeft gemeld en de ziekmelding per abuis niet in het systeem is opgenomen.
Er zijn opvallend onterechte meldingen: tijdens officiële (christelijke) feestdagen en vakanties worden berichten aan de student gestuurd dat hij/ zij ongeoorloofd afwezig is! Ook komt het voor dat het automatische systeem ´s nachts meldingen maakt van afwezigheid.

Idealiter geeft het volgsysteem een goed overzicht en vergemakkelijkt dit systeem de administratieve afhandeling binnen de betrokken organisaties. Echter is het duidelijk dat een dergelijk systeem nooit volledig naar behoren werkt.




woensdag 20 maart 2013

Aanval op schooluitval- boetesysteem

Taakstraf
Volkskrant Magazine, 16 maart 2013. In de wekelijkse rubriek over rechtszaken staat een zaak omschreven van een vijftienjarig meisje. Vanwege haar schoolverzuim krijgt zij een taakstraf opgelegd.
Men poogt duidelijk te maken waarom het zo belangrijk is om een opleiding af te ronden.

Het meisje probeert enigszins stoer te blijven- wellicht is er geen (zelfgekozen) vertrouwenspersoon tijdens de zaak aanwezig?
Toch laat ze doorschemeren wat de motivatie is tot haar spijbelgedrag: ze wordt gepest. Blijkbaar pakken de docenten op de school van het meisje, het pestgedrag niet aan. Het valt me op dat er weinig aandacht is voor dit punt.

Systeem van sancties
Om schoolverzuim te bestrijden, is een pakket aan sancties in het leven geroepen, waaronder:
- een boete van  € 3.700;
- een taakstraf/ leerwerkstraf;
- gevangenisstraf voor de ouders van de leerplichtige.

Hoe effectief en wenselijk zijn dergelijke sancties? Sancties leren de (leerplichtige)* jongere hooguit dat spijbelen vervelende gevolgen heeft, niet waarom het zo belangrijk is diploma´s te halen.
Mijns inziens gaat de toepassing van sancties volledig voorbij aan verschillende knelpunten die bestaan in het onderwijs én de mogelijke alternatieven om jongeren te motiveren. 

Kwaliteit van het onderwijs
Men kan het aantal gevolgde uren onderwijs en het aantal uren verzuim registreren. Kwantitatief gezien kan een opleiding/ studie goede resultaten tonen: veel aanwezige studenten/ scholieren, weinig uren uitval.
Dit zegt echter helemaal niets over de kwaliteit van het gevolgde onderwijs.

Veelgehoorde knelpunten in het huidige onderwijs zijn: een gebrek aan (gekwalificeerde) docenten, gebrek aan een zinvolle invulling van de uren (voornamelijk ontstaan door het competentiegerichte onderwijs), persoonlijke problemen van leerlingen/ studenten en falende begeleiding.


Naar signalen luisteren
In de opening van dit onderwerp, merkte ik al op dat er weinig aandacht was voor de motivatie van de spijbelende leerplichtige. De kunst is om te luisteren naar wat het meisje nu eigenlijk écht wilde zeggen, zowel in bewoording, als in gedrag (= spijbelen). Het meisje geeft door middel van spijbelen en een `onverschillige´ houding het signaal af dat het niet goed gaat. Aan deze houding kan iemand ook aflezen dat er wel degelijk de wens is om gemotiveerd te worden.

Gepest worden is een belangrijke reden om niet meer naar school te willen. Een taakstraf of boete lost het bestaande probleem niet op. Het lijkt mij veel belangrijker dat er een vertrouwenspersoon bestaat die een leerling/ student persoonlijk kan motiveren om de opleiding voort te zetten. Zo is het ook wenselijk dat er wordt geïnvesteerd in kwaliteit, niet in kwantiteit.


*Leerplichtig zijn alle jongeren tot 16 jaar. De kwalificatieplicht geldt voor jongeren tot de leeftijd van 18 jaar. Vrijgesteld van de leerplicht en kwalificatieplicht, zijn jongeren met een startkwalificatie. Een startkwalificatie bestaat in de volgende vormen:
- een afgeronde mbo-opleiding niveau 2
- havo;
- Vwo.






zaterdag 26 januari 2013

Sociaal Leenstelsel

Riskant?


Kanttekeningen `Investeren in de toekomst´
Hoewel in de brief wordt gepoogd om de zorgen over eventuele risico´s weg te nemen, valt de argumentatie voor het leenstelsel te betwisten.
Ik citeer pagina 8 van de Kamerbrief over toekomstbestendige studiefinanciering:
`Leenaversie lijkt beperkt. Als lenen nodig is om te kunnen studeren, zien we niet terug dat studenten zich daardoor laten weerhouden. Zolang studeren een goede investering is, ligt het ook niet voor de hand dat studenten zich door leenaversie laten weerhouden.´ 
Mijn vraag is, waarop deze redenering is gebaseerd. Ik vind dit een hypothetische redenering. Het klinkt logisch, maar er wordt niets bewezen. Hoe kan de minister op dit moment de inschatting maken dat studenten zich niet zullen laten weerhouden om te lenen, omdat zij ervan overtuigd zouden zijn dat zij investeren in hun toekomst?
Is het een gevolg van empirisch onderzoek, of gaat het slechts om een `standaardredenering´?

Ideale situatie
Idealiter investeert een student in zijn of haar toekomst. De maatregel zou een succes zijn, als de student een studie behaalt binnen de gestelde termijn én zich verzekerd ziet van een passend arbeidsperspectief.
Echter, is de context hier bepalend. Ik noem een aantal simpele factoren:

- de verwachtingen die vooraf (onbewust/ bewust) ontstaan en in hoeverre de opleiding werkelijk voldoet aan deze verwachtingen;
- de keuze van de student. De opleiding is uit volle overtuiging gekozen, de student heeft moeite om een juiste opleiding te vinden of de studie is een alternatief: de student is bijvoorbeeld uitgeloot bij een andere opleiding;
- de kwaliteit van het onderwijs.

In hoeverre is beeldvorming over een opleiding betrouwbaar? Oriëntatiedagen, meeloopdagen en folders zijn nooit zo overtuigend als de ervaring die de student opdoet in de praktijk. Als de kwaliteit van het onderwijs slecht blijkt of als de student een verkeerde keuze heeft gemaakt, dan heeft dit invloed op de studieduur.

Bewuste studiekeuze






donderdag 17 januari 2013

Huiszoekingen Uitkeringsgerechtigden

Privacy in het gedrang, deel 2

In het vorige bericht, Huiszoeking Uitkeringsgerechtigden, spreek ik over de twijfelachtige proportionaliteit van het huidige beleid.

Een lid van de SP-Kamerfractie zegt daarover het volgende, ik citeer:
De SP vreest dat miljoenen huishoudens worden weggezet als potentiële fraudeur. Het kabinet schiet met hagel op gewone burgers terwijl grote fraudezaken van vele tientallen miljoenen euro nog steeds geschikt worden. De privacy van miljoenen Nederlanders moet niet geofferd worden terwijl op de bestrijding van grootschalige fraude nog altijd te weinig mensen worden ingezet. Het kabinet stelt de verkeerde prioriteiten.
Regelgeving
Hoe er te werk gegaan zal worden door controleambtenaren, zie ik graag in concrete regels en protocollen. Protocollen zorgen ervoor dat betrokkenen kunnen inzien waar de grenzen van het uitvoeren van het beleid liggen. Wat zegt de wetgeving over overheidsoptreden?

De Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur zijn in ons land vastgesteld, om de gedragsregels van de overheid tegenover de burger te regelen.
In de materiële beginselen staat het Verbod Détournement de Pouvoir. Dit is te vinden in Hoofdstuk 3, artikel 3:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht.
Het artikel valt onder afdeling 3.2 van de Awb en is daarmee een artikel dat de zorgvuldigheid en belangenafweging dient te reguleren.

Het Verbod Détournement de Pouvoir houdt in dat de overheid alleen bevoegdheden mag gebruiken voor het doel waarvoor die bevoegdheden verleend zijn.
Dit verbod heeft een aanvullend doel: namelijk het voorkomen van pure willekeur bij overheidsoptreden, of het oproepen van willekeur door het overheidsoptreden.

In het kader van de huiszoekingen vind ik dit een interessant gegeven. Helaas zal pas uit toekomstige jurisprudentie duidelijk worden, hoe de juridische begrippen `proportionaliteit´ en `willekeur´ bij de nieuwe maatregel op huiszoekingen worden toegepast.


Aanvullende informatie

Onlangs ben ik op een in 2007 door de `Rotterdamse Ombudsman´ gepubliceerd rapport gewezen. Het rapport heet `Baas in eigen huis´.
Reeds vóór 2007 werden onaangekondigde huiszoekingen zonder duidelijke doelstellingen uitgevoerd. Een onwenselijke situatie: zie eerdere berichtgeving.

Baas in eigen Huis
Een omvangrijk, 174 pagina´s tellend rapport met praktijkomschrijvingen, wettelijke kaders en overige normen.
Pagina 151 vertelt over het nut van jurisprudentie op het moment van publicatie van het rapport. De brief van Burgemeester en Wethouders is interessant om te lezen; zoals gebruikelijk, wordt `eenzijdigheid´ als argument gebruikt om de betrouwbaarheid van het rapport in twijfel te trekken.