donderdag 17 november 2016

Een kwestie van selectief geloven

Schijnbaar plotseling is er commentaar op de manier waarop praatprogramma's aan de man gebracht worden.  Sinds vorige week worden er iedere dag ingezonden stukjes en analyses aan gewijd in de kranten van één bekend Nederlands concern.

Het concept: plaats gasten van cognitieve diversiteit tegenover elkaar, gooi olie op het vuur, geef gasten de indruk dat zij hun zegje kunnen doen, toon "interesse", maar laat de gasten vooral door elkaar praten. Beseffen mensen wel dat dit een uitgedacht format is, bovendien van een uitgesproken politieke kleur? Er zit een omvangrijke redactie achter, de gasten worden zorgvuldig geselecteerd, er worden zelfs op het laatste moment gasten verwijderd als dat de stijl van de uitzending ten goede komt.

Wanneer de uitzending niet live is, of met enige vertraging wordt uitgezonden, dan wordt er flink geknipt om suggesties te wekken. Het is een bekende journalistieke tactiek om headlines te plaatsen die de lading niet dekken, maar wel een hoog "scoop"-gehalte hebben; uitspraken worden uit de context getrokken, om door herhaling in het collectief geheugen opgenomen te worden. Dat papegaaiencircuit is sterker geworden door de komst van interactieve nieuwsplatforms. Tegen de tijd dat het journaal wordt uitgezonden, is het "nieuws" al honderden keren herhaald. Sturing, bewuste sturing van mensen die zich daarvoor gevoelig tonen.

De omroepen hebben niet tot taak om aan waarheidsvinding bij te dragen. Het doel is simpelweg, om kijkcijfers te genereren. Ik kan me voorstellen dat mensen zich ergeren aan maniertjes. Daarom kijk ik bewust niet naar kletsprogramma's. Ik kan me geen moment aan de indruk onttrekken dat ik naar een format zit te kijken, omdat het geheel zo bedacht overkomt.

Het is een kwestie van "u vraagt, wij draaien". Mensen kunnen quasi-verontwaardigd zijn over de ongeïnteresseerde houding van de gastheer of -vrouw, over de onbeschoftheid van de opmerkingen die door hem of haar worden gemaakt, of juist de bewuste passiviteit tijdens een verhit debat. Soms lopen de gemoederen hoog op over het feit dat een omstreden gast wordt genodigd.  Zolang men tijdens een conflict blijft happen (meestal zonder enige context), heeft de provocateur middelen om te shockeren. Het is eenvoudig om een dergelijk conflict dood te laten bloeden.

Sterker nog, het is heel eenvoudig om het momenteel zo betwiste format te laten floppen. Door geen aandacht meer te besteden aan wat geen waarde heeft voor de algemene ontwikkeling. Door selectief te geloven.

zaterdag 26 maart 2016

Onderwijs: over presteren, pesten en respect voor verschillen

"Mama, bij de tafel van acht kun je aan de rechterkant steeds twee eraf halen en aan de linkerkant tien erbij optellen". Ik moet een jaar of vijf zijn geweest toen ik voor mezelf methodes bedacht om snel en eenvoudig te rekenen. Dat mocht niet van school. Het moest op de manier van de juf. Ze had ook geen antwoord op moeilijke rekenvragen, want ze volgde de uitleg uit het instructieboekje. De juf probeerde me wijs te maken dat ik niet kon rekenen. Ze was zelfs bezorgd naar mijn moeder gestapt om te vertellen dat ik niet kon klokkijken, alleen maar digitaal! Ik was opgegroeid met een digitale klok en vond het heel gewoon om te moeten cijferen om te weten hoe laat het was. De meeste kinderen uit mijn klas konden echter nog niet digitaal klokkijken. We hebben dus een analoog klokje aangeschaft, om mij eraan te laten wennen.

Ik heb er al vaker over geschreven. Ik heb me op de basisschool erg verveeld en zag nooit de waarde in van het schoolgaan.  "Onderwijs is een recht", werd ons altijd ingewreven. Waarom voelde het dan nooit als een recht? Misschien zou ik het onderwijs als een recht hebben ervaren, als er meer respect was voor verschillen tussen kinderen. Zo er verschillende mensen zijn, zo zijn er ook verschillende leerstijlen en vaardigheden. Een kind kan uitblinken in rekenen en minder goed zijn in taal, of andersom. Er zijn zeer intelligente kinderen en minder intelligente kinderen. Allemaal heel natuurlijk, er zou dan ook geen probleem gemaakt moeten worden van verschillen.

Een probleem wordt het wel, wanneer iedereen maar in dezelfde mal geperst wordt. Ik heb op mijn beurt ervaren dat ik niet mijn volle potentieel mocht benutten als kind, al zat ik op een school die wel pretendeerde daarvoor de ruimte te bieden. Ik vind, achteraf bezien nog steeds, dat ik altijd gedwongen werd tot onderpresteren.

Op de kleuterschool werd er nog geen les gegeven. Vaardigheden als lezen en schrijven, werden niet  gestimuleerd. We moesten allemaal in de zandbak spelen, liedjes zingen en ook allemaal hetzelfde knutselwerk maken. Hoe vaak we collages moesten maken! Gemakshalve scheurde ik grote repen papier om op het karton te plakken. De juf zei dat dat niet zo mocht, ik moest snippertjes plakken, want dat was de opdracht! Wat een fantasie! Iedereen werd gestimuleerd om identieke prestaties af te leveren. Als het schoolrapport op komst was, dan zag je meer dan dertig van dezelfde tekeningen, kleiwerkjes, collages, vouwwerken en knipsels. Geslachtsspecifiek gedrag was nog altijd de norm op de Pabo, kennelijk, want voor de meisjes was er alleen een poppenhoek met een kassa en andere meidenspullen ingericht door de docenten.

Ik was qua uiterlijk een meisjesachtig meisje, maar ik hield niet van poppen en meidenspelletjes, omdat ik dat veel te tuttig en te kinderachtig vond, allemaal- al had ik wel een keukentje thuis. Ik nam altijd jongens mee naar huis, ik kreeg ze zo gek om ze de afwas te laten doen in het keukentje, maar ik hield ook van radiografisch bestuurbare auto's en technische spelletjes. Ik nam mijn beste vriend mee naar een autotentoonstelling. Ik deelde de lakens uit wanneer er opdrachten moesten worden uitgevoerd. Niet erg genderspecifiek allemaal, want de meisjes liepen liever rond met een babypop op de arm. Reden tot zorg? Kijk maar uit, voor je het weet noteert de juf dat je geen vrienden hebt, omdat je maar één of twee beste vriendinnetjes hebt en verder altijd een jongen bij je hebt!

Ik was creatief en expressief, ik hield ervan om verhalen te vertellen, mensen te entertainen en te leren. De kinderen uit mijn klas vonden mijn vocabulaire vaak te moeilijk, dat werd dan in mijn rapport genoteerd als "negatief". De meeste kinderen staken liever een niet te volgen verhaal af over "voetballen met opa op een zondag om de hoek, en toen viel ik, en toen...uhhh...ik ging nog naar het strand en uh..we kwamen een hele grote dino tegen". Of ze deden een boekje open over de opvoedkundige kwaliteiten van hun ouders: "Papa heeft me leren vuurwerk af te steken in huis".

Aangezien ik op mijn derde al kon lezen en schrijven, had ik niks meer te doen toen er voor het eerst schrijfles werd gegeven. Ik moest het avi-niveau van de klas aanhouden, terwijl ik al op het hoogste avi-niveau zat. Als we op woensdag naar de bieb gingen, liep ik naar de volwassenenafdeling om daar een roman te zoeken. Dat mocht niet, ik moest boeken lezen met het stickertje van het avi-niveau van onze klas. Dan nam ik maar een boek om het boek weken later ongelezen te retourneren. Herkenbaar voor velen. Kinderen die boven hun kunnen moesten presteren, deden hetzelfde.

Ik vroeg wanneer we Engels zouden krijgen. Tot aan groep acht zeker niet, sterker nog: we mochten geen lessen in Engels volgen! Was het eens voorgesteld, hebben ouders en masse geklaagd en weten te voorkomen dat hun kind Engels zou krijgen. Toen ik op mijn achtste de boeken Frans van mijn moeder (boeken van het lyceum) had doorgewerkt, werd dat op school helemaal maar genegeerd. Het was niet belangrijk, want "zover waren we nog niet". Bij aardrijkskunde had ik de opdrachten van het geavanceerde niveau al af, maar daar waren we óók nog niet. Bij begrijpend lezen en grammatica moest ik, net als de rest van de klas, iedere week moeilijke woorden noteren, als ik die was tegengekomen in de tekst. "Ik ben geen moeilijke woorden tegengekomen", zei ik. "Dat kan niet", zei de docente. Iedereen vond dat er moeilijke woorden waren, dus ik moest dat ook vinden. Ik moest dezelfde mening zijn toegedaan.

Afgunst van ouders. "Hoogbegaafd? Stel je niet aan"
Er waren ook de rotopmerkingen van ouders van andere kinderen. De docenten hadden, ondanks dat zij me nooit op het niveau van mijn kunnen hebben laten presteren, snel door dat ik ver was in mijn ontwikkeling. Dat werd uitgesproken. Er werd gezegd dat ik zo'n "(mooi en) slim meisje was". Dat zette kwaad bloed. Ik begrijp nog steeds niet waarom sommige ouders zo afgunstig kunnen zijn en heel ver gaan om het kind van een ander kwaad te willen doen. Een moeder, afkomstig uit een niet al te beschaafd milieu, heeft haar vriendinnen flink opgestookt- vervolgens hebben zij dus blijkbaar hun kinderen betrokken in hun gevoelens van ongenoegen.

Ik werd mishandeld door een stel corpulente meiden van minstens zes jaar ouder. Ik kende ze niet. Nu wordt er veel over pesten geschreven en gesproken, maar de school ondernam hier niets tegen. Ik was niet bepaald een "pispaaltje", zoals het "slachtoffer" wel respectloos omschreven wordt. Mijn pesters kregen van mij direct een weerwoord en ik ben naar zowel de docent (die getuige was van het gebeuren) als de directeur gestapt, maar ik kreeg te horen dat ik maar beter mijn mond kon houden! Ik vond mijn spullen vernield terug op de gang; mijn nieuwe jas zat onder de messteken. Een zogenoemde "probleemjongen" uit de laatste klas werd door de school als zondebok beschouwd, maar wij hebben altijd het vermoeden gehad dat een moeder of een van die corpulente dochters het heeft gedaan. Ik heb nooit geloofd dat "toevallig" die lastige jongen, met wie ik nooit problemen heb gehad, de dader zou zijn.

Waarom zijn ouders in staat om hun kinderen zo tegen andere kinderen op te zetten? Hoe zoiets er bij pesters thuis toe gaat, dat vraag ik me af. Hebben die moeders het er thuis over gehad dat ik door de docent een slim en mooi meisje werd gevonden en hebben ze daarmee impliciet uitgesproken niet zo trots te zijn op hun eigen kind? Of vonden de meiden het zelf niet prettig om op jonge leeftijd  zwaarlijvig te zijn en reageerden ze dat graag af op een meisje van zes jaar oud, dat zich met alle moeite moet verweren tegen een groep meiden met ook nog eens een groot leeftijdsverschil? Ik heb niet gevraagd om in de bewoordingen van de docenten (en dus niet in de vorm van uitdagender werk) een "voorkeursbehandeling" te krijgen, maar wat ik pas echt onbegrijpelijk vind, is dat moeders zo ver gaan om hun eigen kinderen op te ruien tot mishandeling en vernieling.

Dat bovengemiddeld intelligente leerlingen en studenten met honende opmerking worden bestookt, is niet ongewoon. Ik ben de cynische opmerkingen en misvattingen wel gewend: "Hoogbegaafden moeten maar normaal doen, net als de rest"; "Iedereen is gelijk, waarom denken hoogbegaafden superieur te zijn"; "Je past je maar aan"; "Ik wil niet dag en nacht studeren, dat moeten mensen die hoge cijfers halen wel". Ik ben niet degene die zich superieur voordoet of zich zo voelt. Als ik mijn capaciteiten wil benutten, dan interpreteren anderen dat onterecht als streberigheid of superioriteit.

Cito: nergens voor nodig, die drukte
Al vrij vroeg had ik verklaard niet meer naar school te willen. Uit pure verveling deed ik vanaf mijn achtste niets meer.  Ik maakte mijn toetsen wel en die haalde ik, zonder er moeite voor te hoeven doen. Er werd gerapporteerd dat ik in negatieve zin opviel, door mijn opstandigheid om nog moeite te doen voor school. De Cito-toets vond ik onbelangrijk. Aangezien iedereen de brugklas moet doorlopen, doet het resultaat van de Cito er niet toe: pas na de eerste twee jaren op het voortgezet onderwijs, wordt er een advies uitgegeven over het vervolgonderwijs van de leerling.

Het zijn sommige ouders die hun kinderen zenuwachtig maken voor de eindtoets, wat geheel onnodig is. Als pa en ma herhaaldelijk menen dat Sterre graag naar dat ene college wil, dan gaat Sterre dat zelf geloven, ook al is dat college niet leuk. Al lange tijd kent Nederland geen andere richtingen dan vmbo-mavo-havo-vwo (Gymnasium of Atheneum). Sommige ouders willen het gymnasium in de ivoren toren voor hun kind, ook al is het onderwijsaanbod om het even wat sinds de Mammoetwet en kun je net zo goed dat ene gebouw om de hoek kiezen. Pa en ma willen dat niet horen, zij starten een procedure als hun kind niet wordt toegelaten tot de ivoren toren. Nu ik zelf zo'n beetje alle onderwijsadviezen om de oren heb gekregen, weet ik (dat wist ik eigenlijk al)  officieel wat een onzin die adviezen toch kunnen zijn.

Ik dwaal af. Veel van mijn klasgenoten van vroeger zijn naar het vmbo gegaan; sommige voormalig klasgenoten hebben het voortgezet onderwijs niet afgemaakt en hebben verder geen opleiding meer gevolgd; een aanzienlijk deel van de meisjes is al op jonge leeftijd moeder geworden. Daarmee wil ik niets zeggen over de beslissing om jong een gezin te stichten; ik heb alleen een andere weg bewandeld dan het merendeel van mijn medescholieren van vroeger. Ik hoor soms dat zij het hoger onderwijs "hoogdravend" vinden. Ze lijken niet te beseffen dat er nu eenmaal verschillen tussen mensen zijn. Zij lijken ook niet te beseffen dat er mensen zijn die nauwelijks hoeven te leren om carrière te maken in het wetenschappelijk onderwijs (ik lees tot mijn verbazing zelfs van universitair studenten dat zij uren moeten blokken voor de bachelor en master).

Onze wegen scheidden zich, zoals ik altijd had voorzien. Docenten konden me wel op willen dringen om dezelfde interesses en hetzelfde niveau te hebben als mijn leeftijdsgenoten, maar het verschil in functioneren was simpelweg te groot. Had ik op het niveau van mijn klasgenoten moeten functioneren, dan had ik mezelf af moeten remmen. Dat werd nu juist al te vaak van me gevraagd, om mijn eigen kunnen te begrenzen.

Op het voortgezet onderwijs deed ik niet veel moeite. Ik heb nog nooit in mijn leven huiswerk gemaakt. Dat had ik niet nodig. Als er huiswerkcontrole was, dan noteerde ik snel cijfers en letters in de kantlijn en een kort antwoord, om de indruk te wekken dat ik mijn huiswerk had gemaakt. Toen ik alleen maar negens en tienen haalde en mijn laagste cijfer een acht was, werd wel duidelijk dat het aanvankelijk geadviseerde havo te makkelijk was. Een docente riep me bij zich. Het was een gok, maar ze wilde het er wel op wagen. Ze deed mij het voorstel om in één keer de examenklas van het Atheneum te doorlopen. Ik kon de eerste vijf jaar overslaan, maar daarvoor moest ik mezelf wel vwo-wiskunde vwo-Frans leren, evenals Natuurwetenschappen en alle andere vakken. Zo gezegd, zo gedaan.

Ik werkte in de vakantie vijf jaar wiskunde door. Binnen krap acht maanden had ik mijn diploma met daarop tien vakken en een omvangrijk project. Ik heb nog nooit het nut ingezien van scholing. Althans niet in mijn geval. Ik zei vroeger altijd dat ik diploma's niet belangrijk vond. De bewijsdrang heb ik nooit gevoeld, omdat bijna alles me zo gemakkelijk afging. Wat ik wel op een gegeven moment concludeerde: als ik het dan toch allemaal makkelijk vind, kan ik het net zo goed halen. Waarom niet? Al zou ik- bij wijze van spreken- dat diploma als een vodje beschouwen, dan heb ik 'm ieder geval, omdat mensen nu eenmaal graag cijfers en papieren zien.

Wat ik betreur-er is geen excuus voor dat het echt zo is gelopen- is dat ik geen volwaardig N&T-profiel heb. Ik was goed in natuurkunde en biologie. Wat wel gebeurt met een haastige beslissing, is dat over bepaalde onderwerpen niet goed is nagedacht. Op wiskunde na, zijn de bètavakken niet voor mij geselecteerd door de docent die me inschreef. Na de diploma-uitreiking hebben een docent en ik nog ernstig overwogen om mijn profiel alsnog in één jaar om te zetten.  Ik heb toen gezegd: ik wil politieke wetenschap studeren en er exacte vakken naast volgen.  Als ik alles over mag doen, dan zou ik volle bèta willen zijn.

Al is het moeilijk, héél erg moeilijk, om vele interesses te hebben. Ik houd bijvoorbeeld van natuurkunde, biologie, ICT, fotografie, architectuur, maar ook wiskunde, recht en politiek.  Ik heb een keer een uitgebreide test gehad en uit de resultaten bleek dat mijn brein alfa en bèta heel goed verwerkt. Dat verbaast mij niet. Het is niet altijd het ene of het andere uiterste. Mijn moeder kreeg op jonge leeftijd al lyceum-advies (havo/ vwo); zij is de directe verwant van een emeritus-hoogleraar. Aan vaderszijde komen rekenwonders en kunstenaars voor. Aan beide kanten is er een historie van hogere en academische scholing. Wat kies je dan, als je alles wilt en ook heel veel kunt? Het liefst alles natuurlijk! Ik ben nog steeds heel erg blij dat ik rechtsgeleerdheid ben gaan studeren, want ik houd van fiscaal recht, economie, vermogensrecht, havenrecht- zo kan ik nog wel even doorgaan.

Prestatiedruk?
Sommige scholen voor voortgezet onderwijs hebben taal- en rekenvaardigheden laten varen en bepaalde vakken afgeschaft, omdat velen het gemiddelde niveau niet behalen. In plaats van de moeite erin te steken om mensen iets bij te brengen, is de norm naar beneden afgesteld. Zo kan het dat veel jongeren het tegenwoordig normaal vinden om "hij wilt", "je bedoeld toch dat", "het is bekent" te schrijven. Op productetiketten lees ik "dit produkt beschermd tegen...". Zelfs een kwaliteitskrant merkt de zin "hij komt in tijdnoot" niet op stuurt een artikel zonder correctie door naar de pers.  Taalfouten, ze worden op grote schaal gemaakt en het onderwijs mag de jongere best wat vaker bijsturen.

Het zijn geen Amerikaanse toestanden in Nederland. Gelukkig maar, want de strijd om de beste leerling van de klas te worden, is geen smaakvolle traditie te noemen. In Nederland zijn ouders gealarmeerd als hun kind les in een vreemde taal krijgt. Waarom spreken de media dan eens in de zoveel tijd over de zogenaamde "prestatiedruk"?

Het is wel waar dat er kinderen zijn die prestaties moeten leveren die zij niet aankunnen. Er wordt in iedere klas een gemiddelde aangehouden. Kinderen moeten voldoen aan de norm die volgens de pedagogiekboekjes bij de leeftijd van de kinderen hoort. Ik ben van mening dat zowel onderpresteren, als ver boven het eigen kunnen moeten presteren, voor niemand goed is. Het onderwijs hoeft geen drama te zijn, maar het zou wel heel prettig zijn als er eens wat meer rekening werd gehouden met verschillen tussen kinderen en jongeren. Met een beetje begrip hoeven docenten zichzelf ook niet overspannen te maken.

De overspannenheid van docenten komt meestal door de manier waarop zij hun leerlingen bejegenen. In mijn loopbaan tot nu toe heb ik van dichtbij meegemaakt hoe een docent zonder reden of zelfs maar aanleiding, zijn leerlingen bot kan behandelen, variërend van het voor schut zetten van een leerling in de klas, tot het uitschelden van leerlingen, om vervolgens in een onaangekondigde driftbui te gaan smijten met spullen. Een docente vertrouwde me zelfs eens toe dat ze "in janken was uitgebarsten" omdat de kinderen in alle eerlijkheid hadden gezegd dat ze niet aardig was. Dat was ze ook niet, ze maakte behoorlijk venijnige opmerkingen, ze had één leerling die openlijk met afkeuren  werd behandeld en de kinderen moesten opvallend veel strafregels bij de directrice schrijven (we spreken over een school die volgens de slogan "gelooft in ieder kind", nog wel ná de jaren "00 ). Het opzettelijk en openlijk vernederd zijn en het hebben van een nare schooltijd, blijft velen nog lange tijd bij. Wat kost het alternatief, het opbrengen van begrip?







maandag 4 januari 2016

Afgestudeerden hebben torenhoge studieschuld

"Ruim 15.000 afgestudeerden hebben een studieschuld van ruim 50.000 Euro", zo bericht de Nationale Onderwijsgids. Nog eens een "geringe" groep van 100 studenten zou een schuld van meer dan 100.000 Euro opbouwen.

In 2013 maakte ik aan de hand van de modules van DUO, een schatting. De gemiddelde  studieschuld ex. lening, zou uitkomen op minimaal 29.011 Euro. Met inbegrip van de lening van studenten van vóór het leenstelsel anno 2015, is een studieschuld van 50.000 een reële schatting.
Het CPB verwacht dat de schuld onder het "sociaal leenstelsel", ten opzichte van het stelsel van de prestatiebeurs, tussen de 6000 en 9000 Euro per student zal toenemen.

Juli 2013 meende Kamerlid Pieter Duisenberg (VVD) dat de "leenangst" (eufemisme) veeleer een fabel zou zijn, daar het rapport "De studie waard", gepubliceerd naar aanleiding van de Onderzoeksmonitor 2012-2013, uit zou wijzen dat toekomstige studenten zich niet zouden laten weerhouden om een schuld op te bouwen

Genoeg over de theorie.
Wat zijn de praktische problemen waar de student mee te maken krijgt? 

1. In het oude stelsel van de prestatiebeurs geldt: wie binnen tien jaar het diploma behaalt, ziet de prestatiebeurs omgezet in een gift. Met deze regeling kan de student echter het schip in gaan. De prestatiebeurs wordt namelijk voor een beperkte periode verstrekt; geenszins voor de duur van tien jaar. De grens van tien jaar betekent dat slechts een deel van de studiefinanciering wordt omgezet in een gift. Het overige bestaat uit een lening: per definitie schuld;

2. De studieschuld kan niet los gezien worden van het toekomstperspectief van de student. In de eerste plaats zijn er de niet-rendabele studies, omdat er op de arbeidsmarkt geen behoefte is aan een grote hoeveelheid afgestudeerde literatuurwetenschappers, kunstkenners, opiniepeilers en psychologen (om enkele voorbeelden te noemen). Vraag en aanbod zijn nu eenmaal onontkoombare economische voorwaarden voor succesvolle toetreding tot de arbeidsmarkt, hoe jammer dit ook moge zijn voor de oprecht geïnteresseerde filoloog.

Een groot probleem bestaat waar het de voormalig studenten en co-assistenten betreft, die geen vergoeding ontvangen voor coschappen en stagetrajecten. Zo werd in december 2015 bericht dat de studieschuld van geneeskundestudenten harder oploopt vanwege de verplichting om (zonder vergoeding) tot 55 uur per week coschappen te lopen.
De minister zag aanvankelijk geen aanleiding om onderzoek te doen naar de onevenredige stijging van de schuld onder (voormalig) geneeskundestudenten ten gevolge van het wegvallen van de basisbeurs.

Onderzoeksprogramma De Monitor behandelt op 3 januari 2016 de uitbuiting van afgestudeerde psychologen en orthopedagogen. De zogeheten "werkervaringsplekken" (WEP/ leerwerktrajecten/ stages) worden door organisaties benut om starters tegen een lage vergoeding of zelfs zonder vergoeding volwaardig mee te laten draaien.

Het verbaast mij niet. Veel functies op academisch niveau kennen voor starters een traject van circa twee tot drie jaar.  In augustus 2013 heb ik bericht over de impasse waarin afgestudeerden kunnen verkeren in deze eerste jaren na de studie. Een impasse die niet alleen ontstaat wanneer de werkgever geen onkostenvergoeding biedt, maar zeker ook wanneer de werkgever die wél biedt.

Wanneer de werkgever geen stagevergoeding biedt, ziet de ex-student zich genoodzaakt om een uitkering aan te vragen om in levensonderhoud te kunnen voorzien eventuele reiskosten te dekken.  Nog problematischer is het, wanneer de werkgever wél een onkostenvergoeding uitbetaalt: deze wordt in mindering gebracht op de uitkering. Als het bedrag van de stagevergoeding hoger is dan de uitkering, komt de uitkering te vervallen, terwijl in beide gevallen het inkomen ontoereikend is om rond te komen. Een schrale troost:  het is niet waarschijnlijk dat de werkgever een bedrag om en nabij de lage inkomensgrens uitkeert.

Hoe worden de bestaande problemen nu opgelost?
Er worden nogmaals onderzoeken ingesteld, die hopelijk medio 2016 inzichten zullen bieden. Het uitbuiten van starters is zo alarmerend dat minister Asscher naar aanleiding van De Monitor "naar een plan van aanpak streeft". 
Minister Bussemaker en minister Schippers menen dat een stagevergoeding voor geneeskundestudenten die coschappen lopen niet haalbaar is, maar minister Bussemaker zal nu toch "een onderzoek instellen" naar de onevenredige financiële benadeling van geneeskundestudenten.

Voor het voorkomen van oplopende studieschulden heeft minister Bussemaker nog een troef achter de hand. Een studiekeuzecheck op de middelbare school, of een studiekeuzecheck tijdens een voorlichtingsmiddag op de universiteit zal studenten behoeden voor het maken van een verkeerde studiekeuze. Ook zal er worden gewezen op de negatieve effecten van lenen. Studenten dienen zich bewust te worden van de gevolgen van lenen in het sociaal leenstelsel. Studenten zijn genoodzaakt te lenen omdat de prestatiebeurs is komen te vervallen, maar zij moeten goed nadenken over de vraag of ze willen lenen.

Om terug te komen op de bewoordingen van de heer Duisenberg: "..ik ben blij dat dit onderzoek een einde maakt aan de fabel [leenangst, M.B.]  ...jongeren zullen geen angst hebben om te lenen en zij zullen gewoon gaan studeren".

Hoe vrij is de student in zijn of haar keuze, als een studieschuld een vast gegeven en pure noodzaak is? Dat is een vraag van andere orde. Voorlopig zijn er voldoende doekjes voor het bloeden.

vrijdag 1 januari 2016

Armoede in Nederland

Gelukkig 2016!  Een nieuw kalenderjaar, nieuwe prijzen! Een hogere zorgpremie, hogere kosten voor levensmiddelen!

Het gaat toch beter met de Nederlandse economie? Om te kunnen duiden wat de aantrekking van de economie in de praktijk inhoudt, dient men zich te realiseren dat foutmarges binnen de economie mede worden benut om hypotheses op gewenste wijze te "kleuren". Soms worden de foutmarges relatief ruim getrokken. Wat de populatie vervolgens wordt voorgehouden, is niets meer dan een voorspelling. Zo kan men concluderen dat de economie aantrekt, maar daar hoeft men geen hoge verwachtingen aan te ontlenen. Realisme is gepast; optimisme gebaseerd op een voorlopige hypothese betekent niets.

Wat ervaart men in de praktijk? Sinds 2010 is het aantal uitgesproken faillissementen van ondernemingen, die decennialang tot zelfs een eeuw lang in Nederland hebben bestaan, ongekend  Ondernemingen die nog bestaan, zetten nog vaker in op automatisering en uitbesteding om op personeelskosten te besparen. Het economisch liberalisme is veelal nadelig voor de uitvoerende en operationele niveaus. De ingrijpende wijziging van arbeidscontracten maakt het voor een groot deel van de Nederlandse beroepsbevolking moeilijk om van een bestaan verzekerd te zijn. Er ontstaat in abstracto een soort "balans": de economie trekt aan, een deel van de grote organisaties vaart wel bij de fiscale voordelen, daartegenover wordt een tak afgestoten en neemt het aantal werklozen toe. Het gevolg laat zich raden: arbeidsparticipanten die opgeleid zijn voor een specialisme, krijgen te maken met moeilijkheden op de arbeidsmarkt.

Investeringen in de kleinere ondernemingen en voordelen voor zelfstandigen werden aangekondigd. Daarmee is niets gezegd over de problemen die zich voordoen die direct betrekking hebben op het "kleine" ondernemerschap. Men denke aan de ZZP'ers die geen aanspraak maken op een uitkering.

Medio december 2015 werd erkend dat armoede in Nederland wel degelijk bestaat. Uiteraard waren direct de voorspelbare tegengeluiden te horen. Veelal de "onwetende" opmerkingen; de geliefde generalisaties en de dooddoeners. Meestal zijn deze opmerkingen afkomstig van personen die niet op een of andere wijze fiscaal, juridisch of economisch onderlegd zijn, tenzij de opmerkingen worden gemaakt door economen die  het debat pogen te sturen. Ik vind de bewuste rechtlijnigheid waarmee veel stellingen in het debat worden geponeerd, getuigen van geestelijke armoede.

"Mensen met een laag inkomen ontvangen toch subsidie"?  De huurtoeslag, bijvoorbeeld, wordt op de balans bijgeschreven aan de zijde van de inkomsten. Het nettobedrag wordt in het debat opgevoerd als een verbetering van de koopkracht. Al te simplistisch. De activa en passiva worden tegen elkaar weggestreept. Een vergroting van het vermogen is echter onwaarschijnlijk, want het geheel is onderhevig aan inflatie. Subsidies kunnen een negatieve uitkomst niet ondervangen.

Niet-realistische inzichten worden daarnaast verbonden aan het feit dat enkele gemeenten in Nederland bijzondere financiële regelingen hebben voor ingezetenen met een laag inkomen. Dergelijke regelingen op decentraal niveau zijn uitzondering op de regel.

Ik stuitte onlangs ook op de arbeidsrechtelijk gezien verbazende opmerking dat uitkeringsgerechtigden maar liefst 500 Euro zouden bijverdienen. Deze opmerking lijkt geheel op zichzelf te staan. Bijverdienen duidt namelijk niet op het genereren van een bijverdienste; het verdiende geld wordt op de uitkering in mindering gebracht, zodat per saldo een gelijkelijk bedrag resteert. Onterecht wordt aangenomen dat de bijverdienste dus een voordeel oplevert. Verdient men net iets meer, dan dreigt de armoedeval zijn intrede te doen, waarbij toeslagen komen te vervallen, terwijl het inkomen alsnog niet toereikend is. De neerwaartse spiraal is een hopeloos economisch verschijnsel.

"Armoede in Nederland is relatief". De aloude discussie! Toch mag deze opmerking wederom worden verworpen. Armoede in het ene land, wordt niet relatief door deze te vergelijken met de armoede in een land met een geheel ander prijspeil. Want het gaat om het prijspeil, niet om de koopkracht in relatie tot behoefte aan luxe.  De behoefte aan luxe wordt slechts opgevoerd om aan te geven dat Nederlanders zich arm wanen als zij zich bepaalde goederen, waaronder auto's, digitale speeltjes, maar ook dieren, hobby's en rookwaren, niet kunnen permitteren. Ik begrijp niet zo goed waarom veel mensen menen dat andermans schrijnende situatie is te relativeren door deze te vergelijken met ernstiger gevallen. Eigenlijk begrijp ik de relativeringsdrang juist heel goed: door de armoede in Nederland te bagatelliseren, heeft een buitenstaander gemoedsrust.

In werkelijkheid is er sprake van armoede waarbij het inkomen niet toereikend is na aftrek van de vaste lasten- lasten waarop men niet kan besparen, zoals huur, zorgpremie, het transportonafhankelijk tarief op de energierekening en natuurlijk het eigen risico. Betalingsregelingen houden tijdelijk uitstel of een verspreiding in, daarmee betekenen zij vanzelfsprekend geen verbetering van de koopkracht. De toereikendheid heeft betrekking op, wat na aftrek van de vaste lasten resteert voor levensmiddelen; vervanging van kleding, schoenen of de aanschaf van een koelkast, kan men de facto onder luxe-uitgaven scharen.

Beledigend voor velen en oppervlakkig is het, dat onderzoeken met enkele personen met een lage inkomensgrens, worden gegeneraliseerd. Vanwege de vermeende journalistieke waarde werd recentelijk bijvoorbeeld een twintigtal werkzoekende vrouwen met een inkomen op bijstandsniveau gevolgd en geïnterviewd. Van hen trok een deel zich terug. Er resteerde ongeveer een tiental. Van de tien deelnemers beweerde vervolgens een deel niet gemotiveerd te zijn om te werken én heel goed rond te kunnen komen; er was zelfs een auto in het spel. Dus, was de conclusie, Nederlandse werkzoekenden zouden te zeer verwend worden met een uitkering en toeslagen, iedereen kan met gemak rondkomen.

Wetenschappelijk gezien zijn dergelijke onderzoekjes een aanfluiting. Een onderzoek begint met een voorlopige hypothese. Vervolgens zoekt men de onderzoekspopulatie bijeen.Voor de validiteit en generaliseerbaarheid van de resultaten is het altijd van belang om diversiteit in de onderzoekspopulatie aan te houden. De onderzoeker kiest niet alleen de uitersten, maar trekt het gemiddelde van de resultaten uit de populatie; standaarddeviatie is een gebruikelijk verschijnsel. Foutmarges bij voorspellingen worden in acht genomen. Er wordt wel betoogd dat een onderzoeker bereid zou moeten zijn om de eigen hypothese te verwerpen. Falsificatie is in de wetenschap een beproefde methode om de betrouwbaarheid van het onderzoeksresultaat te testen.

Wat wil nu het geval? In geen van bovengenoemde voorbeelden is het onderzoek zo opgezet. De `onderzoekers´ in kwestie zochten naar niet-representatieve deelnemers of geïnterviewden. Er zijn gegadigden van diverse pluimage, maar de werkloze vrouw met een sigaret in de mondhoek, honden, katten en een auto, is gekozen om symbool te staan voor de groep werkzoekenden met een uitkering. Zo gaat het er medialogisch vaak aan toe, al naar gelang de ideologische oriëntatie van het medium of de omroep. Het frame vervangt de onderzoeksresultaten. Een vertekend beeld. Dat armoede in Nederland bestaat is erkend, dus het fenomeen moet nodig gebagatelliseerd worden. De armoede moet toch maar zo relatief mogelijk zijn.