dinsdag 28 mei 2013

Passend onderwijs voor hoogbegaafde kinderen

Slimme kinderen worden onvoldoende gestimuleerd
Op het weblog van de VVD is op 11 april 2013 een bericht geplaatst over de positie van hoogbegaafde kinderen in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Het voorstel is om passend onderwijs in Nederland in te voeren; een eventuele beslissing dient voor 1 oktober 2013 genomen te worden.

Ik kan beamen dat het vroegere en huidige onderwijssysteem, gericht op de gemiddelde leerling, weinig stimulerend is voor leerlingen die afwijken van de `norm´ (dat geldt zowel voor minder intelligente als bovengemiddeld intelligente leerlingen). Op 24 maart 2013 heb ik daarover een persoonlijk bericht geschreven. Leerlingen die niet of nauwelijks worden geprikkeld, gaan op termijn ondermaats presteren. De paradox is dat leerlingen vaak het tegenovergestelde van het eigen niveau bereiken en sterkere desinteresse vertonen.

Metacognitie
Een interessant onderzoek naar de metacognitieve vaardigheden van hoogbegaafde personen, vond ik op de website van de Universiteit Leiden. De omschrijving vat samen wat bij voorkeur gestimuleerd dient te worden bij intelligentere leerlingen: vaardigheden omtrent het plannen, het aanbrengen van structuren en het leggen van verbanden. Dit is van belang om samen te werken, te reflecteren, overzicht te houden en het geleerde in praktijk te brengen. Praktische intelligentie, ofwel probleemoplossend denken, leidt over het algemeen tot successen.

Hoger intelligente leerlingen zouden de metacognitieve vaardigheden nauwelijks benutten, vanwege het relatieve gemak waarmee de lesstof wordt opgenomen. De studiehouding wordt wel getypeerd als `laks´. Dit is geen bewuste studiehouding. In het kader van de metacognitie is het zeker van belang om intelligente leerlingen op niveau te blijven stimuleren.

Minervaklas
Tijdens het lezen van andere blogs, stuitte ik op een bericht van oud-docent en onderwijsjournalist Ronald Buitelaar. In `Minervaklas voor leerlingen die uitgedaagd willen worden´, wordt kort geschetst hoe meer intelligente kinderen het bestaan van een dergelijke klas ervaren. Het lijkt mij een positieve ontwikkeling dat basisscholen bereid zijn om een breder pakket aan te bieden.

Cynische opmerkingen heb ik in mijn jeugd genoeg gehoord- veelal van de ouders van andere leerlingen. Een klas, speciaal bedoeld voor bovengemiddeld intelligente kinderen, zou zorgen voor een `uitzonderingspositie´; sociale contacten met minder intelligente leeftijdsgenoten zouden belangrijker zijn dan het stimuleren van de cognitieve behoeften van het kind. Ook het gelijkheidsdenken was van invloed: slimmere kinderen moesten maar `gewoon meedoen met de rest´. Om nog maar te zwijgen over gemakkelijke opmerkingen als `een slimme leerling redt zich toch wel, begeleiding is niet nodig´. Dat een intelligent kind de reguliere lessen als geestdodend ervaart, is niet meer dan een luxeprobleem.

Uit de situatieschets van de Minervaklas maak ik op dat een uitzonderingspositie bewust vermeden wordt: de leerlingen krijgen een aantal uren per week voorbereidende lessen in de Minervaklas. Het werk wordt vervolgens uitgevoerd in de reguliere klas. Sociale contacten worden niet verwaarloosd: als een pluspunt wordt aangevoerd dat de Minervaklas het mogelijk maakt om aansluiting te vinden bij leerlingen van het eigen niveau (van communiceren). Met gemiddeld twintig leerlingen is de opkomst in de Minervaklas zeker niet te gering voor het stimuleren van sociaal contact.

Leerlingen worden niet lukraak uit de klas geplukt: er is een selectie nodig om deel uit te kunnen maken van de Minervaklas.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten