"Ruim 15.000 afgestudeerden hebben een studieschuld van ruim 50.000 Euro", zo bericht de Nationale Onderwijsgids. Nog eens een "geringe" groep van 100 studenten zou een schuld van meer dan 100.000 Euro opbouwen.
In 2013 maakte ik aan de hand van de modules van DUO, een schatting. De gemiddelde studieschuld ex. lening, zou uitkomen op minimaal 29.011 Euro. Met inbegrip van de lening van studenten van vóór het leenstelsel anno 2015, is een studieschuld van 50.000 een reële schatting.
Het CPB verwacht dat de schuld onder het "sociaal leenstelsel", ten opzichte van het stelsel van de prestatiebeurs, tussen de 6000 en 9000 Euro per student zal toenemen.
Juli 2013 meende Kamerlid Pieter Duisenberg (VVD) dat de "leenangst" (eufemisme) veeleer een fabel zou zijn, daar het rapport "De studie waard", gepubliceerd naar aanleiding van de Onderzoeksmonitor 2012-2013, uit zou wijzen dat toekomstige studenten zich niet zouden laten weerhouden om een schuld op te bouwen.
Genoeg over de theorie.
Wat zijn de praktische problemen waar de student mee te maken krijgt?
1. In het oude stelsel van de prestatiebeurs geldt: wie binnen tien jaar het diploma behaalt, ziet de prestatiebeurs omgezet in een gift. Met deze regeling kan de student echter het schip in gaan. De prestatiebeurs wordt namelijk voor een beperkte periode verstrekt; geenszins voor de duur van tien jaar. De grens van tien jaar betekent dat slechts een deel van de studiefinanciering wordt omgezet in een gift. Het overige bestaat uit een lening: per definitie schuld;
2. De studieschuld kan niet los gezien worden van het toekomstperspectief van de student. In de eerste plaats zijn er de niet-rendabele studies, omdat er op de arbeidsmarkt geen behoefte is aan een grote hoeveelheid afgestudeerde literatuurwetenschappers, kunstkenners, opiniepeilers en psychologen (om enkele voorbeelden te noemen). Vraag en aanbod zijn nu eenmaal onontkoombare economische voorwaarden voor succesvolle toetreding tot de arbeidsmarkt, hoe jammer dit ook moge zijn voor de oprecht geïnteresseerde filoloog.
Een groot probleem bestaat waar het de voormalig studenten en co-assistenten betreft, die geen vergoeding ontvangen voor coschappen en stagetrajecten. Zo werd in december 2015 bericht dat de studieschuld van geneeskundestudenten harder oploopt vanwege de verplichting om (zonder vergoeding) tot 55 uur per week coschappen te lopen.
De minister zag aanvankelijk geen aanleiding om onderzoek te doen naar de onevenredige stijging van de schuld onder (voormalig) geneeskundestudenten ten gevolge van het wegvallen van de basisbeurs.
Onderzoeksprogramma De Monitor behandelt op 3 januari 2016 de uitbuiting van afgestudeerde psychologen en orthopedagogen. De zogeheten "werkervaringsplekken" (WEP/ leerwerktrajecten/ stages) worden door organisaties benut om starters tegen een lage vergoeding of zelfs zonder vergoeding volwaardig mee te laten draaien.
Het verbaast mij niet. Veel functies op academisch niveau kennen voor starters een traject van circa twee tot drie jaar. In augustus 2013 heb ik bericht over de impasse waarin afgestudeerden kunnen verkeren in deze eerste jaren na de studie. Een impasse die niet alleen ontstaat wanneer de werkgever geen onkostenvergoeding biedt, maar zeker ook wanneer de werkgever die wél biedt.
Wanneer de werkgever geen stagevergoeding biedt, ziet de ex-student zich genoodzaakt om een uitkering aan te vragen om in levensonderhoud te kunnen voorzien eventuele reiskosten te dekken. Nog problematischer is het, wanneer de werkgever wél een onkostenvergoeding uitbetaalt: deze wordt in mindering gebracht op de uitkering. Als het bedrag van de stagevergoeding hoger is dan de uitkering, komt de uitkering te vervallen, terwijl in beide gevallen het inkomen ontoereikend is om rond te komen. Een schrale troost: het is niet waarschijnlijk dat de werkgever een bedrag om en nabij de lage inkomensgrens uitkeert.
Hoe worden de bestaande problemen nu opgelost?
Er worden nogmaals onderzoeken ingesteld, die hopelijk medio 2016 inzichten zullen bieden. Het uitbuiten van starters is zo alarmerend dat minister Asscher naar aanleiding van De Monitor "naar een plan van aanpak streeft".
Minister Bussemaker en minister Schippers menen dat een stagevergoeding voor geneeskundestudenten die coschappen lopen niet haalbaar is, maar minister Bussemaker zal nu toch "een onderzoek instellen" naar de onevenredige financiële benadeling van geneeskundestudenten.
Voor het voorkomen van oplopende studieschulden heeft minister Bussemaker nog een troef achter de hand. Een studiekeuzecheck op de middelbare school, of een studiekeuzecheck tijdens een voorlichtingsmiddag op de universiteit zal studenten behoeden voor het maken van een verkeerde studiekeuze. Ook zal er worden gewezen op de negatieve effecten van lenen. Studenten dienen zich bewust te worden van de gevolgen van lenen in het sociaal leenstelsel. Studenten zijn genoodzaakt te lenen omdat de prestatiebeurs is komen te vervallen, maar zij moeten goed nadenken over de vraag of ze willen lenen.
Om terug te komen op de bewoordingen van de heer Duisenberg: "..ik ben blij dat dit onderzoek een einde maakt aan de fabel [leenangst, M.B.] ...jongeren zullen geen angst hebben om te lenen en zij zullen gewoon gaan studeren".
Hoe vrij is de student in zijn of haar keuze, als een studieschuld een vast gegeven en pure noodzaak is? Dat is een vraag van andere orde. Voorlopig zijn er voldoende doekjes voor het bloeden.
maandag 4 januari 2016
vrijdag 1 januari 2016
Armoede in Nederland
Gelukkig 2016! Een nieuw kalenderjaar, nieuwe prijzen! Een hogere zorgpremie, hogere kosten voor levensmiddelen!
Het gaat toch beter met de Nederlandse economie? Om te kunnen duiden wat de aantrekking van de economie in de praktijk inhoudt, dient men zich te realiseren dat foutmarges binnen de economie mede worden benut om hypotheses op gewenste wijze te "kleuren". Soms worden de foutmarges relatief ruim getrokken. Wat de populatie vervolgens wordt voorgehouden, is niets meer dan een voorspelling. Zo kan men concluderen dat de economie aantrekt, maar daar hoeft men geen hoge verwachtingen aan te ontlenen. Realisme is gepast; optimisme gebaseerd op een voorlopige hypothese betekent niets.
Wat ervaart men in de praktijk? Sinds 2010 is het aantal uitgesproken faillissementen van ondernemingen, die decennialang tot zelfs een eeuw lang in Nederland hebben bestaan, ongekend Ondernemingen die nog bestaan, zetten nog vaker in op automatisering en uitbesteding om op personeelskosten te besparen. Het economisch liberalisme is veelal nadelig voor de uitvoerende en operationele niveaus. De ingrijpende wijziging van arbeidscontracten maakt het voor een groot deel van de Nederlandse beroepsbevolking moeilijk om van een bestaan verzekerd te zijn. Er ontstaat in abstracto een soort "balans": de economie trekt aan, een deel van de grote organisaties vaart wel bij de fiscale voordelen, daartegenover wordt een tak afgestoten en neemt het aantal werklozen toe. Het gevolg laat zich raden: arbeidsparticipanten die opgeleid zijn voor een specialisme, krijgen te maken met moeilijkheden op de arbeidsmarkt.
Investeringen in de kleinere ondernemingen en voordelen voor zelfstandigen werden aangekondigd. Daarmee is niets gezegd over de problemen die zich voordoen die direct betrekking hebben op het "kleine" ondernemerschap. Men denke aan de ZZP'ers die geen aanspraak maken op een uitkering.
Medio december 2015 werd erkend dat armoede in Nederland wel degelijk bestaat. Uiteraard waren direct de voorspelbare tegengeluiden te horen. Veelal de "onwetende" opmerkingen; de geliefde generalisaties en de dooddoeners. Meestal zijn deze opmerkingen afkomstig van personen die niet op een of andere wijze fiscaal, juridisch of economisch onderlegd zijn, tenzij de opmerkingen worden gemaakt door economen die het debat pogen te sturen. Ik vind de bewuste rechtlijnigheid waarmee veel stellingen in het debat worden geponeerd, getuigen van geestelijke armoede.
"Mensen met een laag inkomen ontvangen toch subsidie"? De huurtoeslag, bijvoorbeeld, wordt op de balans bijgeschreven aan de zijde van de inkomsten. Het nettobedrag wordt in het debat opgevoerd als een verbetering van de koopkracht. Al te simplistisch. De activa en passiva worden tegen elkaar weggestreept. Een vergroting van het vermogen is echter onwaarschijnlijk, want het geheel is onderhevig aan inflatie. Subsidies kunnen een negatieve uitkomst niet ondervangen.
Niet-realistische inzichten worden daarnaast verbonden aan het feit dat enkele gemeenten in Nederland bijzondere financiële regelingen hebben voor ingezetenen met een laag inkomen. Dergelijke regelingen op decentraal niveau zijn uitzondering op de regel.
Ik stuitte onlangs ook op de arbeidsrechtelijk gezien verbazende opmerking dat uitkeringsgerechtigden maar liefst 500 Euro zouden bijverdienen. Deze opmerking lijkt geheel op zichzelf te staan. Bijverdienen duidt namelijk niet op het genereren van een bijverdienste; het verdiende geld wordt op de uitkering in mindering gebracht, zodat per saldo een gelijkelijk bedrag resteert. Onterecht wordt aangenomen dat de bijverdienste dus een voordeel oplevert. Verdient men net iets meer, dan dreigt de armoedeval zijn intrede te doen, waarbij toeslagen komen te vervallen, terwijl het inkomen alsnog niet toereikend is. De neerwaartse spiraal is een hopeloos economisch verschijnsel.
"Armoede in Nederland is relatief". De aloude discussie! Toch mag deze opmerking wederom worden verworpen. Armoede in het ene land, wordt niet relatief door deze te vergelijken met de armoede in een land met een geheel ander prijspeil. Want het gaat om het prijspeil, niet om de koopkracht in relatie tot behoefte aan luxe. De behoefte aan luxe wordt slechts opgevoerd om aan te geven dat Nederlanders zich arm wanen als zij zich bepaalde goederen, waaronder auto's, digitale speeltjes, maar ook dieren, hobby's en rookwaren, niet kunnen permitteren. Ik begrijp niet zo goed waarom veel mensen menen dat andermans schrijnende situatie is te relativeren door deze te vergelijken met ernstiger gevallen. Eigenlijk begrijp ik de relativeringsdrang juist heel goed: door de armoede in Nederland te bagatelliseren, heeft een buitenstaander gemoedsrust.
In werkelijkheid is er sprake van armoede waarbij het inkomen niet toereikend is na aftrek van de vaste lasten- lasten waarop men niet kan besparen, zoals huur, zorgpremie, het transportonafhankelijk tarief op de energierekening en natuurlijk het eigen risico. Betalingsregelingen houden tijdelijk uitstel of een verspreiding in, daarmee betekenen zij vanzelfsprekend geen verbetering van de koopkracht. De toereikendheid heeft betrekking op, wat na aftrek van de vaste lasten resteert voor levensmiddelen; vervanging van kleding, schoenen of de aanschaf van een koelkast, kan men de facto onder luxe-uitgaven scharen.
Beledigend voor velen en oppervlakkig is het, dat onderzoeken met enkele personen met een lage inkomensgrens, worden gegeneraliseerd. Vanwege de vermeende journalistieke waarde werd recentelijk bijvoorbeeld een twintigtal werkzoekende vrouwen met een inkomen op bijstandsniveau gevolgd en geïnterviewd. Van hen trok een deel zich terug. Er resteerde ongeveer een tiental. Van de tien deelnemers beweerde vervolgens een deel niet gemotiveerd te zijn om te werken én heel goed rond te kunnen komen; er was zelfs een auto in het spel. Dus, was de conclusie, Nederlandse werkzoekenden zouden te zeer verwend worden met een uitkering en toeslagen, iedereen kan met gemak rondkomen.
Wetenschappelijk gezien zijn dergelijke onderzoekjes een aanfluiting. Een onderzoek begint met een voorlopige hypothese. Vervolgens zoekt men de onderzoekspopulatie bijeen.Voor de validiteit en generaliseerbaarheid van de resultaten is het altijd van belang om diversiteit in de onderzoekspopulatie aan te houden. De onderzoeker kiest niet alleen de uitersten, maar trekt het gemiddelde van de resultaten uit de populatie; standaarddeviatie is een gebruikelijk verschijnsel. Foutmarges bij voorspellingen worden in acht genomen. Er wordt wel betoogd dat een onderzoeker bereid zou moeten zijn om de eigen hypothese te verwerpen. Falsificatie is in de wetenschap een beproefde methode om de betrouwbaarheid van het onderzoeksresultaat te testen.
Wat wil nu het geval? In geen van bovengenoemde voorbeelden is het onderzoek zo opgezet. De `onderzoekers´ in kwestie zochten naar niet-representatieve deelnemers of geïnterviewden. Er zijn gegadigden van diverse pluimage, maar de werkloze vrouw met een sigaret in de mondhoek, honden, katten en een auto, is gekozen om symbool te staan voor de groep werkzoekenden met een uitkering. Zo gaat het er medialogisch vaak aan toe, al naar gelang de ideologische oriëntatie van het medium of de omroep. Het frame vervangt de onderzoeksresultaten. Een vertekend beeld. Dat armoede in Nederland bestaat is erkend, dus het fenomeen moet nodig gebagatelliseerd worden. De armoede moet toch maar zo relatief mogelijk zijn.
Het gaat toch beter met de Nederlandse economie? Om te kunnen duiden wat de aantrekking van de economie in de praktijk inhoudt, dient men zich te realiseren dat foutmarges binnen de economie mede worden benut om hypotheses op gewenste wijze te "kleuren". Soms worden de foutmarges relatief ruim getrokken. Wat de populatie vervolgens wordt voorgehouden, is niets meer dan een voorspelling. Zo kan men concluderen dat de economie aantrekt, maar daar hoeft men geen hoge verwachtingen aan te ontlenen. Realisme is gepast; optimisme gebaseerd op een voorlopige hypothese betekent niets.
Wat ervaart men in de praktijk? Sinds 2010 is het aantal uitgesproken faillissementen van ondernemingen, die decennialang tot zelfs een eeuw lang in Nederland hebben bestaan, ongekend Ondernemingen die nog bestaan, zetten nog vaker in op automatisering en uitbesteding om op personeelskosten te besparen. Het economisch liberalisme is veelal nadelig voor de uitvoerende en operationele niveaus. De ingrijpende wijziging van arbeidscontracten maakt het voor een groot deel van de Nederlandse beroepsbevolking moeilijk om van een bestaan verzekerd te zijn. Er ontstaat in abstracto een soort "balans": de economie trekt aan, een deel van de grote organisaties vaart wel bij de fiscale voordelen, daartegenover wordt een tak afgestoten en neemt het aantal werklozen toe. Het gevolg laat zich raden: arbeidsparticipanten die opgeleid zijn voor een specialisme, krijgen te maken met moeilijkheden op de arbeidsmarkt.
Investeringen in de kleinere ondernemingen en voordelen voor zelfstandigen werden aangekondigd. Daarmee is niets gezegd over de problemen die zich voordoen die direct betrekking hebben op het "kleine" ondernemerschap. Men denke aan de ZZP'ers die geen aanspraak maken op een uitkering.
Medio december 2015 werd erkend dat armoede in Nederland wel degelijk bestaat. Uiteraard waren direct de voorspelbare tegengeluiden te horen. Veelal de "onwetende" opmerkingen; de geliefde generalisaties en de dooddoeners. Meestal zijn deze opmerkingen afkomstig van personen die niet op een of andere wijze fiscaal, juridisch of economisch onderlegd zijn, tenzij de opmerkingen worden gemaakt door economen die het debat pogen te sturen. Ik vind de bewuste rechtlijnigheid waarmee veel stellingen in het debat worden geponeerd, getuigen van geestelijke armoede.
"Mensen met een laag inkomen ontvangen toch subsidie"? De huurtoeslag, bijvoorbeeld, wordt op de balans bijgeschreven aan de zijde van de inkomsten. Het nettobedrag wordt in het debat opgevoerd als een verbetering van de koopkracht. Al te simplistisch. De activa en passiva worden tegen elkaar weggestreept. Een vergroting van het vermogen is echter onwaarschijnlijk, want het geheel is onderhevig aan inflatie. Subsidies kunnen een negatieve uitkomst niet ondervangen.
Niet-realistische inzichten worden daarnaast verbonden aan het feit dat enkele gemeenten in Nederland bijzondere financiële regelingen hebben voor ingezetenen met een laag inkomen. Dergelijke regelingen op decentraal niveau zijn uitzondering op de regel.
Ik stuitte onlangs ook op de arbeidsrechtelijk gezien verbazende opmerking dat uitkeringsgerechtigden maar liefst 500 Euro zouden bijverdienen. Deze opmerking lijkt geheel op zichzelf te staan. Bijverdienen duidt namelijk niet op het genereren van een bijverdienste; het verdiende geld wordt op de uitkering in mindering gebracht, zodat per saldo een gelijkelijk bedrag resteert. Onterecht wordt aangenomen dat de bijverdienste dus een voordeel oplevert. Verdient men net iets meer, dan dreigt de armoedeval zijn intrede te doen, waarbij toeslagen komen te vervallen, terwijl het inkomen alsnog niet toereikend is. De neerwaartse spiraal is een hopeloos economisch verschijnsel.
"Armoede in Nederland is relatief". De aloude discussie! Toch mag deze opmerking wederom worden verworpen. Armoede in het ene land, wordt niet relatief door deze te vergelijken met de armoede in een land met een geheel ander prijspeil. Want het gaat om het prijspeil, niet om de koopkracht in relatie tot behoefte aan luxe. De behoefte aan luxe wordt slechts opgevoerd om aan te geven dat Nederlanders zich arm wanen als zij zich bepaalde goederen, waaronder auto's, digitale speeltjes, maar ook dieren, hobby's en rookwaren, niet kunnen permitteren. Ik begrijp niet zo goed waarom veel mensen menen dat andermans schrijnende situatie is te relativeren door deze te vergelijken met ernstiger gevallen. Eigenlijk begrijp ik de relativeringsdrang juist heel goed: door de armoede in Nederland te bagatelliseren, heeft een buitenstaander gemoedsrust.
In werkelijkheid is er sprake van armoede waarbij het inkomen niet toereikend is na aftrek van de vaste lasten- lasten waarop men niet kan besparen, zoals huur, zorgpremie, het transportonafhankelijk tarief op de energierekening en natuurlijk het eigen risico. Betalingsregelingen houden tijdelijk uitstel of een verspreiding in, daarmee betekenen zij vanzelfsprekend geen verbetering van de koopkracht. De toereikendheid heeft betrekking op, wat na aftrek van de vaste lasten resteert voor levensmiddelen; vervanging van kleding, schoenen of de aanschaf van een koelkast, kan men de facto onder luxe-uitgaven scharen.
Beledigend voor velen en oppervlakkig is het, dat onderzoeken met enkele personen met een lage inkomensgrens, worden gegeneraliseerd. Vanwege de vermeende journalistieke waarde werd recentelijk bijvoorbeeld een twintigtal werkzoekende vrouwen met een inkomen op bijstandsniveau gevolgd en geïnterviewd. Van hen trok een deel zich terug. Er resteerde ongeveer een tiental. Van de tien deelnemers beweerde vervolgens een deel niet gemotiveerd te zijn om te werken én heel goed rond te kunnen komen; er was zelfs een auto in het spel. Dus, was de conclusie, Nederlandse werkzoekenden zouden te zeer verwend worden met een uitkering en toeslagen, iedereen kan met gemak rondkomen.
Wetenschappelijk gezien zijn dergelijke onderzoekjes een aanfluiting. Een onderzoek begint met een voorlopige hypothese. Vervolgens zoekt men de onderzoekspopulatie bijeen.Voor de validiteit en generaliseerbaarheid van de resultaten is het altijd van belang om diversiteit in de onderzoekspopulatie aan te houden. De onderzoeker kiest niet alleen de uitersten, maar trekt het gemiddelde van de resultaten uit de populatie; standaarddeviatie is een gebruikelijk verschijnsel. Foutmarges bij voorspellingen worden in acht genomen. Er wordt wel betoogd dat een onderzoeker bereid zou moeten zijn om de eigen hypothese te verwerpen. Falsificatie is in de wetenschap een beproefde methode om de betrouwbaarheid van het onderzoeksresultaat te testen.
Wat wil nu het geval? In geen van bovengenoemde voorbeelden is het onderzoek zo opgezet. De `onderzoekers´ in kwestie zochten naar niet-representatieve deelnemers of geïnterviewden. Er zijn gegadigden van diverse pluimage, maar de werkloze vrouw met een sigaret in de mondhoek, honden, katten en een auto, is gekozen om symbool te staan voor de groep werkzoekenden met een uitkering. Zo gaat het er medialogisch vaak aan toe, al naar gelang de ideologische oriëntatie van het medium of de omroep. Het frame vervangt de onderzoeksresultaten. Een vertekend beeld. Dat armoede in Nederland bestaat is erkend, dus het fenomeen moet nodig gebagatelliseerd worden. De armoede moet toch maar zo relatief mogelijk zijn.
Abonneren op:
Reacties (Atom)