Gelukkig 2016! Een nieuw kalenderjaar, nieuwe prijzen! Een hogere zorgpremie, hogere kosten voor levensmiddelen!
Het gaat toch beter met de Nederlandse economie? Om te kunnen duiden wat de aantrekking van de economie in de praktijk inhoudt, dient men zich te realiseren dat foutmarges binnen de economie mede worden benut om hypotheses op gewenste wijze te "kleuren". Soms worden de foutmarges relatief ruim getrokken. Wat de populatie vervolgens wordt voorgehouden, is niets meer dan een voorspelling. Zo kan men concluderen dat de economie aantrekt, maar daar hoeft men geen hoge verwachtingen aan te ontlenen. Realisme is gepast; optimisme gebaseerd op een voorlopige hypothese betekent niets.
Wat ervaart men in de praktijk? Sinds 2010 is het aantal uitgesproken faillissementen van ondernemingen, die decennialang tot zelfs een eeuw lang in Nederland hebben bestaan, ongekend Ondernemingen die nog bestaan, zetten nog vaker in op automatisering en uitbesteding om op personeelskosten te besparen. Het economisch liberalisme is veelal nadelig voor de uitvoerende en operationele niveaus. De ingrijpende wijziging van arbeidscontracten maakt het voor een groot
deel van de Nederlandse beroepsbevolking moeilijk om van een bestaan
verzekerd te zijn. Er ontstaat in abstracto een soort "balans": de economie trekt aan, een deel van de grote organisaties vaart wel bij de fiscale voordelen, daartegenover wordt een tak afgestoten en neemt het aantal werklozen toe. Het gevolg laat zich raden: arbeidsparticipanten die opgeleid zijn voor een specialisme, krijgen te maken met moeilijkheden op de arbeidsmarkt.
Investeringen in de kleinere ondernemingen en voordelen voor zelfstandigen werden aangekondigd. Daarmee is niets gezegd over de problemen die zich voordoen die direct betrekking hebben op het "kleine" ondernemerschap. Men denke aan de ZZP'ers die geen aanspraak maken op een uitkering.
Medio december 2015 werd erkend dat armoede in Nederland wel degelijk bestaat. Uiteraard waren direct de voorspelbare tegengeluiden te horen. Veelal de "onwetende" opmerkingen; de geliefde generalisaties en de dooddoeners. Meestal zijn deze opmerkingen afkomstig van personen die niet op een of andere wijze fiscaal, juridisch of economisch onderlegd zijn, tenzij de opmerkingen worden gemaakt door economen die het debat pogen te sturen. Ik vind de bewuste rechtlijnigheid waarmee veel stellingen in het debat worden geponeerd, getuigen van geestelijke armoede.
"Mensen met een laag inkomen ontvangen toch subsidie"? De huurtoeslag, bijvoorbeeld, wordt op de balans bijgeschreven aan de zijde van de inkomsten. Het nettobedrag wordt in het debat opgevoerd als een verbetering van de koopkracht. Al te simplistisch. De activa en passiva worden tegen elkaar weggestreept. Een vergroting van het vermogen is echter onwaarschijnlijk, want het geheel is onderhevig aan inflatie. Subsidies kunnen een negatieve uitkomst niet ondervangen.
Niet-realistische inzichten worden daarnaast verbonden aan het feit dat enkele gemeenten in Nederland bijzondere financiële regelingen hebben voor ingezetenen met een laag inkomen. Dergelijke regelingen op decentraal niveau zijn uitzondering op de regel.
Ik stuitte onlangs ook op de arbeidsrechtelijk gezien verbazende opmerking dat uitkeringsgerechtigden maar liefst 500 Euro zouden bijverdienen. Deze opmerking lijkt geheel op zichzelf te staan. Bijverdienen duidt namelijk niet op het genereren van een bijverdienste; het verdiende geld wordt op de uitkering in mindering gebracht, zodat per saldo een gelijkelijk bedrag resteert. Onterecht wordt aangenomen dat de bijverdienste dus een voordeel oplevert. Verdient men net iets meer, dan dreigt de armoedeval zijn intrede te doen, waarbij toeslagen komen te vervallen, terwijl het inkomen alsnog niet toereikend is. De neerwaartse spiraal is een hopeloos economisch verschijnsel.
"Armoede in Nederland is relatief". De aloude discussie! Toch mag deze opmerking wederom worden verworpen. Armoede in het ene land, wordt niet relatief door deze te vergelijken met de armoede in een land met een geheel ander prijspeil. Want het gaat om het prijspeil, niet om de koopkracht in relatie tot behoefte aan luxe. De behoefte aan luxe wordt slechts opgevoerd om aan te geven dat
Nederlanders zich arm wanen als zij zich bepaalde goederen, waaronder
auto's, digitale speeltjes, maar ook dieren, hobby's en rookwaren, niet kunnen permitteren. Ik begrijp niet zo goed waarom veel mensen menen dat andermans schrijnende situatie is te relativeren door deze te vergelijken met ernstiger gevallen. Eigenlijk begrijp ik de relativeringsdrang juist heel goed: door de armoede in Nederland te bagatelliseren, heeft een buitenstaander gemoedsrust.
In werkelijkheid is er sprake van armoede waarbij het inkomen niet toereikend is na aftrek van de vaste lasten- lasten waarop men niet kan besparen, zoals huur, zorgpremie, het transportonafhankelijk tarief op de energierekening en natuurlijk het eigen risico. Betalingsregelingen houden tijdelijk uitstel of een verspreiding in, daarmee betekenen zij vanzelfsprekend geen verbetering van de koopkracht. De toereikendheid heeft betrekking op, wat na aftrek van de vaste lasten resteert voor levensmiddelen; vervanging van kleding, schoenen of de aanschaf van een koelkast, kan men de facto onder luxe-uitgaven scharen.
Beledigend voor velen en oppervlakkig is het, dat onderzoeken met enkele personen met een lage inkomensgrens, worden gegeneraliseerd. Vanwege de vermeende journalistieke waarde werd recentelijk bijvoorbeeld een twintigtal werkzoekende vrouwen met een inkomen op bijstandsniveau gevolgd en geïnterviewd. Van hen trok een deel zich terug. Er resteerde ongeveer een tiental. Van de tien deelnemers beweerde vervolgens een deel niet gemotiveerd te zijn om te werken én heel goed rond te kunnen komen; er was zelfs een auto in het spel. Dus, was de conclusie, Nederlandse werkzoekenden zouden te zeer verwend worden met een uitkering en toeslagen, iedereen kan met gemak rondkomen.
Wetenschappelijk gezien zijn dergelijke onderzoekjes een aanfluiting. Een onderzoek begint met een voorlopige hypothese. Vervolgens zoekt men de onderzoekspopulatie bijeen.Voor de validiteit en generaliseerbaarheid van de resultaten is het altijd van belang om diversiteit in de onderzoekspopulatie aan te houden. De onderzoeker kiest niet alleen de uitersten, maar trekt het gemiddelde van de resultaten uit de populatie; standaarddeviatie is een gebruikelijk verschijnsel. Foutmarges bij voorspellingen worden in acht genomen. Er wordt wel betoogd dat een onderzoeker bereid zou moeten zijn om de eigen hypothese te verwerpen. Falsificatie is in de wetenschap een beproefde methode om de betrouwbaarheid van het onderzoeksresultaat te testen.
Wat wil nu het geval? In geen van bovengenoemde voorbeelden is het onderzoek zo opgezet. De `onderzoekers´ in kwestie zochten naar niet-representatieve deelnemers of geïnterviewden. Er zijn gegadigden van diverse pluimage, maar de werkloze vrouw met een sigaret in de mondhoek, honden, katten en een
auto, is gekozen om symbool te staan voor de groep werkzoekenden met een uitkering. Zo gaat het er medialogisch vaak aan toe, al naar gelang de ideologische oriëntatie van het medium of de omroep. Het frame vervangt de onderzoeksresultaten. Een vertekend beeld. Dat armoede in Nederland bestaat is erkend, dus het fenomeen moet nodig gebagatelliseerd worden. De armoede moet toch maar zo relatief mogelijk zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten